Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 3 maart 2023
ECLI:NL:HR:2023:332Zaaknummer 22/02928
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 maart 2023
- Publicatiedatum
- 3 maart 2023
- Zaaknummer
- 22/02928
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WOZ; motivering oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld in het licht van met bewijsmiddelen onderbouwde stelling van belanghebbende
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/02928
Datum 3 maart 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 juni 2022, nr. 21/01133[_f8836d07-e942-48a5-b961-a50fb2387ee7], op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 21/177) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Amsterdam voor het jaar 2020 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z].
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Oosters, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2 Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 502.000.
Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Zowel voor de Rechtbank als voor het Hof heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde verdedigd onder verwijzing naar een taxatierapport. In dit taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 502.000, als resultaat van een vergelijking van de onroerende zaak met drie woningen die zijn gelegen in dezelfde straat als de onroerende zaak en die alle drie zijn verkocht enige tijd voor de waardepeildatum.
Belanghebbende heeft in beroep en in hoger beroep gewezen op zes andere woningen, gelegen in dezelfde straat, die enige tijd voor of na de waardepeildatum zijn verkocht. Een vergelijking met alle negen verkoopcijfers leidt volgens belanghebbende tot de conclusie dat de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld op € 457.209.
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar kon deze waarde afleiden uit het gewogen gemiddelde van drie vergelijkbare objecten. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd doet daaraan geen afbreuk, aldus het Hof.
3 Beoordeling van de middelen
De middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 2.3.3 genoemde oordeel.
Dit oordeel behoefde nadere motivering in het licht van belanghebbendes met bewijsmiddelen onderbouwde stelling dat de opbrengst van de verkoop van zes andere objecten, waarvan de vergelijkbaarheid overigens niet in geschil is, lager was dan die van de drie panden waarvan de heffingsambtenaar is uitgegaan.
In zoverre slagen de middelen. Voor het overige behoeven zij geen behandeling. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4 Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136, en
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.674 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2023.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2753 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:4639 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2573 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2148 Gerechtshof Den Haag, 1 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2290 Gerechtshof Den Haag, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4067 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2044 Gerechtshof Den Haag, 10 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1894 Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2344 Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1811 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1812 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3661 Rechtbank Midden-Nederland, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1818 Gerechtshof Den Haag, 22 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1886 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:876 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1835 Gerechtshof Den Haag, 8 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1831 Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1828 Gerechtshof Den Haag, 11 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:292 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:325 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:327 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:328 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1888 Gerechtshof Den Haag, 18 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:417 Gerechtshof Den Haag, 18 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:420 Gerechtshof Den Haag, 18 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1021 Gerechtshof Den Haag, 4 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:414 Gerechtshof Den Haag, 22 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:415 Gerechtshof Den Haag, 22 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:76 Gerechtshof Den Haag, 22 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:135 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:136 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:60 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2839 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2676 Gerechtshof Den Haag, 9 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2466 Gerechtshof Den Haag, 4 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2181 Gerechtshof Den Haag, 21 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6253 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2244 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2225 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2576 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5913 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2235 Gerechtshof Den Haag, 16 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5280 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2914 Gerechtshof Den Haag, 21 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1919 Gerechtshof Den Haag, 7 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1922 Gerechtshof Den Haag, 7 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1920 Gerechtshof Den Haag, 5 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1921 Gerechtshof Den Haag, 5 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1834 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2320 Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1225 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:972 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:973 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:899 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1056 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1209 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2779 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2025 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.