Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 24 mei 2022
ECLI:NL:HR:2022:714Zaaknummer 21/00569
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 mei 2022
- Publicatiedatum
- 24 mei 2022
- Zaaknummer
- 21/00569
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. 1. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Betekenis art. 60a Sr i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 en 58 Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? 2. Schriftuur benadeelde partij. Afwijzing vordering b.p. m.b.t. immateriële schade. Ad 1. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 304 en 61 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:498). Redelijke wetsuitleg van art. 60a Sr brengt daarbij met zich dat i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 en 58 Sr, totale duur van gijzeling voor schadevergoedingsmaatregelen het in art. 24c.3 Sr bepaalde maximum van 1 jaar niet mag overschrijden. HR bepaalt, rekening houdend met wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal 1 jaar, dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 300 en 60 dagen kan worden toegepast. Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling van 300 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/00569
Datum 24 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2021, nummer 23-000785-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover in het kader van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen.
Het hof heeft de verdachte voor een feit dat is begaan op 7 juli 2018 de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 304 en 61 dagen gijzeling.
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498). Redelijke wetsuitleg van artikel 60a Sr brengt daarbij met zich dat in geval van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr, de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in artikel 24c lid 3 Sr bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden.
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en rekening houdend met de wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal één jaar, bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast.
3 Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling van 300 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2022:286 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2021:247 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2320 Gerechtshof Amsterdam, 16 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:493 Gerechtshof Den Haag, 12 maart 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:177 Hoge Raad, 10 februari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2759 Gerechtshof Den Haag, 23 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1792 Hoge Raad, 2 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2358 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1513 Hoge Raad, 14 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:830 Hoge Raad, 3 juni 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:749 Hoge Raad, 20 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:750 Hoge Raad, 20 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:328 Hoge Raad, 18 maart 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:9018 Rechtbank Rotterdam, 27 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1829 Hoge Raad, 10 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1830 Hoge Raad, 10 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:10810 Rechtbank Rotterdam, 4 november 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1400 Hoge Raad, 15 oktober 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:566 Hoge Raad, 9 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:2282 Rechtbank Rotterdam, 21 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:2283 Rechtbank Rotterdam, 21 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:1159 Hoge Raad, 12 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:982 Hoge Raad, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:983 Hoge Raad, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:984 Hoge Raad, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:265 Hoge Raad, 21 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1904 Hoge Raad, 20 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1905 Hoge Raad, 20 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1907 Hoge Raad, 20 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:10514 Rechtbank Noord-Holland, 29 november 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1647 Hoge Raad, 15 november 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1564 Hoge Raad, 1 november 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:286 Parket bij de Hoge Raad, 29 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:247 Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2021 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.