Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 2 september 2022
ECLI:NL:HR:2022:1128Zaaknummer 22/00186
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 2 september 2022
- Publicatiedatum
- 2 september 2022
- Zaaknummer
- 22/00186
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Berechting binnen een redelijke termijn. Toepassing van ECLI:NL:HR:2014:1461, rov. 2.7, en ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.3.2. Nadat in bezwaar geheel aan de bezwaren over de aanslag tegemoetgekomen is, procedeert belanghebbende verder over de hoogte van vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Wanneer eindigt de in aanmerking te nemen redelijke termijn?
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/00186
Datum 2 september 2022
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 december 2021, nr. 20/00441[_db86ea4a-6450-434f-a1bb-e71c2b155410], op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/682) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2 Uitgangspunten in cassatie
De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is op 23 december 2016 door de Inspecteur ontvangen.
Bij brief van 11 december 2018 (hierna: de brief van 11 december 2018), met het opschrift “Motivering van uitspraak op het bezwaarschrift”, heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld: “Ik kom tegemoet aan uw bezwaar. De uitspraak op uw bezwaarschrift krijgt u binnenkort afzonderlijk toegezonden van het computercentrum in Apeldoorn.”
Bij uitspraak op bezwaar van 28 december 2018 is de Inspecteur geheel aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetgekomen. Hij heeft het bezwaar gegrond verklaard, het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld overeenkomstig de door belanghebbende gedane aangifte, de aanslag dienovereenkomstig verminderd en de beschikking belastingrente vernietigd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft vastgesteld dat, aangezien het bezwaarschrift op 23 december 2016 door de Inspecteur is ontvangen en de Rechtbank op 6 juli 2020 uitspraak deed, de redelijke termijn is overschreden. Bij de beoordeling of belanghebbende daarom aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade heeft de Rechtbank het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing gelaten. Vanaf dat moment wist belanghebbende dat de Inspecteur geheel aan het bezwaar tegemoet kwam en een kostenvergoeding toekende. In beroep ging het alleen nog om belanghebbendes verzoek hem wegens het tijdsverloop tot de uitspraak op bezwaar een hogere vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten toe te kennen, aldus de Rechtbank.
In het door belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Het Hof heeft overwogen dat de brief van 11 december 2018 niet is aan te merken als een uitspraak op bezwaar, en bovendien de procedure pas eindigt als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld belanghebbende immateriële schade te vergoeden tot een bedrag van € 2.000.
3 Beoordeling van het middel
Het middel bestrijdt de in 2.6 weergegeven beslissing.
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de immateriële schade die bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting voor vergoeding in aanmerking komt, gelegen is in de spanning en frustratie die een belastingplichtige ondervindt ten gevolge van het geschil over de belastingheffing dat hem en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Die door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie moeten worden geacht ten einde te zijn gekomen na een uitspraak waarmee dit geschil is beslecht.[_4b9b3423-98ad-41be-9acd-6f14ab808e60]
Daarmee is in overeenstemming dat de voor het toekennen van vergoeding van immateriële schade in aanmerking te nemen periode, na een uitspraak waarmee het geschil inzake de belastingheffing ten einde is gekomen, niet doorloopt in geval de rechter nog bij afzonderlijke uitspraak moet beslissen op een verzoek tot vergoeding van immateriële schade.[_84f07c29-75fe-4bf5-94f7-2f6ecd0bfe15] Het wachten op die afzonderlijke uitspraak kan niet worden geacht een voortzetting van de eerder door de belastingplichtige ondervonden spanning en frustratie mee te brengen. Er is geen reden om anders te oordelen ten aanzien van andere verzoeken die niet de hoofdzaak betreffen, zoals verzoeken om vergoeding van proceskosten. Daaruit volgt dat ook in het geval de rechter na de beëindiging van het geschil inzake de belastingheffing nog moet beslissen op dergelijke, met het verloop van de procedure verband houdende, verzoeken, het daarmee gemoeide tijdsverloop niet van invloed is op de termijn waarbinnen het geschil over de belastingheffing is, of behoorde te zijn, beëindigd. Dit geldt ook indien het geschil inzake de belasting niet is beëindigd door een uitspraak van de rechter, maar door de kennisgeving van een beslissing van de inspecteur.
De bestreden uitspraak getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts kan het Hof niet worden gevolgd in zijn opvatting dat de brief van 11 december 2018 ontoereikend is om aan te nemen dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen. Indien het Hof ervan is uitgegaan dat bij beantwoording van de vraag of een geschil inzake de belastingheffing binnen redelijke termijn is beëindigd alleen betekenis kan worden toegekend aan een mededeling van de inspecteur in de vorm van een uitspraak op bezwaar, berust zijn beslissing op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof daarvan niet is uitgegaan, is zijn beslissing niet begrijpelijk, aangezien de hiervoor in 2.3 en 2.4 weergegeven gang van zaken geen andere conclusie toelaat dan dat het geschil over de hoogte van de aanslag was geëindigd doordat de inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende was tegemoetgekomen.
Het middel slaagt. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 en 3.3 is overwogen, heeft de Rechtbank bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van immateriële schade op toereikende gronden vastgesteld dat het geschil inzake de belastingheffing ten einde was gekomen door de brief van de Inspecteur van 11 december 2018, zodat het tijdsverloop na 11 december 2018 buiten beschouwing moet blijven. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
4 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, en
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3801 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2026:11017 Rechtbank Noord-Holland, 4 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RVS:2026:3586 Raad van State, 19 juni 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:387 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RVS:2025:5693 Raad van State, 25 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3594 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2068 Gerechtshof Den Haag, 31 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1978 Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1425 Hoge Raad, 11 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1427 Hoge Raad, 11 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6052 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4598 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4601 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1385 Gerechtshof Amsterdam, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2669 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1714 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:407 Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAM:2024:2 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 7 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13302 Rechtbank Noord-Holland, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2843 Gerechtshof Amsterdam, 9 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3312 Gerechtshof Amsterdam, 31 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3853 Raad van State, 18 oktober 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RVS:2023:3854 Raad van State, 18 oktober 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3284 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2295 Gerechtshof Amsterdam, 15 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3187 Gerechtshof Amsterdam, 10 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1760 Gerechtshof Amsterdam, 6 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1019 Gerechtshof Amsterdam, 20 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2173 Rechtbank Limburg, 28 maart 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:53 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:54 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 16 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1721 Rechtbank Rotterdam, 23 februari 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:843 Gerechtshof Amsterdam, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1519 Rechtbank Noord-Holland, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:416 Gerechtshof Amsterdam, 7 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2915 Gerechtshof Den Haag, 15 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:10893 Rechtbank Noord-Holland, 6 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7067 Rechtbank Gelderland, 2 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2293 Gerechtshof Den Haag, 1 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2294 Gerechtshof Den Haag, 1 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2295 Gerechtshof Den Haag, 1 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3631 Gerechtshof Amsterdam, 18 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3632 Gerechtshof Amsterdam, 18 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3014 Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:13242 Rechtbank Den Haag, 29 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:309 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 27 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2967 Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3801 Gerechtshof Amsterdam, 7 december 2021 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.