Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 12 juli 2022
ECLI:NL:HR:2022:1027Zaaknummer 21/02378
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 juli 2022
- Publicatiedatum
- 14 juli 2022
- Zaaknummer
- 21/02378
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verkrachting, art. 242 Sr. Opname in zorginstelling als bijzondere voorwaarde, beslissing voorbehouden aan rechter. Is gestelde bijzondere voorwaarde dat, als reclassering indicatiestelling aanvraagt en voor indicatie verantwoordelijke instantie kortdurende klinische opname indiceert, verdachte zich laat opnemen in zorginstelling, te bepalen door justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, verenigbaar met art. 14c.2.10 Sr? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:946, inhoudende dat beslissing of zich noodzaak voordoet van opneming van veroordeelde in zorginstelling en voor welke duur is voorbehouden aan rechter. Gelet hierop is bijzondere voorwaarde, v.zv. deze de beslissing of verdachte zich gedurende proeftijd onder klinische behandeling moet stellen, in handen legt van Reclassering Nederland, de voor indicatie verantwoordelijke instantie en/of de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, onverenigbaar met art. 14c.2.10 Sr. Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. bijzondere voorwaarde (zonder terugwijzing).
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de door het hof genoemde bijzondere voorwaarde, voor zover deze inhoudt “Indien daartoe aanleiding is - zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld - kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2022.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02378
Datum 12 juli 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 juni 2021, nummer 20-003737-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beslissing doch uitsluitend wat betreft de kortdurende klinische opname, zoals geciteerd onder randnummer 14 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2 Beoordeling van het cassatiemiddel
Het cassatiemiddel klaagt over de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde dat, als de reclassering een indicatiestelling aanvraagt en de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, de verdachte zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het voert daartoe aan dat de beslissing of en wanneer zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling, is voorbehouden aan de rechter.
Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens verkrachting. De uitspraak van het hof bevat ten aanzien van de strafoplegging onder meer de volgende beslissingen:
“Het hof:
(...)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte (...) de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
(...)
- zich laat behandelen door Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en dat de verdachte zich houdt aan de regels en aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is - zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld - kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.”
Artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt:
“Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen
(...)
10°. opneming van de veroordeelde in een zorginstelling (...).”
Op grond van artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, Sr kan als bijzondere voorwaarde bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf de opneming van de veroordeelde in een zorginstelling worden gesteld. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een zorginstelling en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter (vgl. HR 19 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:946).
Gelet hierop is de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, voor zover deze de beslissing of de verdachte zich gedurende de proeftijd onder klinische behandeling moet stellen, in handen legt van Reclassering Nederland, de voor indicatie verantwoordelijke instantie en/of de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, onverenigbaar met artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10º, Sr.
Het cassatiemiddel slaagt.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de door het hof genoemde bijzondere voorwaarde, voor zover deze inhoudt “Indien daartoe aanleiding is - zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld - kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt”;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juli 2022.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1890 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2022:525 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6107 Rechtbank Midden-Nederland, 13 juli 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:518 Parket bij de Hoge Raad, 26 mei 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:1705 Hoge Raad, 18 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1010 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 februari 2025 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:167 Rechtbank Oost-Brabant, 16 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5719 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:727 Parket bij de Hoge Raad, 5 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7970 Rechtbank Rotterdam, 3 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1264 Gerechtshof Den Haag, 6 juli 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:6053 Rechtbank Noord-Holland, 29 juni 2023 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:4443 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:489 Parket bij de Hoge Raad, 16 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:2238 Rechtbank Midden-Nederland, 11 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:3106 Rechtbank Rotterdam, 7 april 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:1426 Rechtbank Midden-Nederland, 31 maart 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1343 Rechtbank Gelderland, 15 maart 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:1284 Rechtbank Gelderland, 9 maart 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:758 Rechtbank Gelderland, 17 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1929 Rechtbank Rotterdam, 17 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:604 Rechtbank Gelderland, 31 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:379 Rechtbank Den Haag, 20 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:94 Rechtbank Den Haag, 11 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:43 Rechtbank Den Haag, 6 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:11775 Rechtbank Rotterdam, 21 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:10739 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:6925 Rechtbank Gelderland, 6 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12125 Rechtbank Den Haag, 15 november 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:4090 Rechtbank Overijssel, 29 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3496 Rechtbank Noord-Nederland, 20 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:8106 Rechtbank Rotterdam, 14 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2022:9052 Rechtbank Den Haag, 8 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3362 Rechtbank Midden-Nederland, 26 augustus 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:8128 Rechtbank Noord-Holland, 11 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:9463 Rechtbank Rotterdam, 9 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3131 Rechtbank Midden-Nederland, 2 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:4122 Rechtbank Gelderland, 29 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:6507 Rechtbank Rotterdam, 20 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2806 Rechtbank Midden-Nederland, 15 juli 2022 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:525 Parket bij de Hoge Raad, 7 juni 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1890 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 juni 2021 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.