Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 8 januari 2021
ECLI:NL:HR:2021:11Zaaknummer 19/03594
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 januari 2021
- Publicatiedatum
- 8 januari 2021
- Zaaknummer
- 19/03594
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Artikel 81 RO-zaken, Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2021.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/03594
Datum 8 januari 2021
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 juni 2019, nr. BK-18/01079, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Hof betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2021.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3976 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2583 Gerechtshof Den Haag, 23 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1094 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1095 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1099 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2845 Gerechtshof Den Haag, 7 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2750 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2305 Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3976 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2019 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.