Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 28 februari 2020
ECLI:NL:HR:2020:331Zaaknummer 19/00619
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 februari 2020
- Publicatiedatum
- 28 februari 2020
- Zaaknummer
- 19/00619
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BPM; art. 10, leden 1, 2 en 7, Wet BPM; art. 110 VWEU; art. 8, lid 4, Uitvoeringsregeling BPM; registratie gebruikte auto; koerslijstwaarde vermindering; ex-rental
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/00619
Datum 28 februari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 januari 2019, nr. BK-18/00758, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/6632) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de middelen
Belanghebbende heeft in 2017 een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan met het oog op het in het Nederlandse kentekenregister doen registreren van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto. Deze auto is niet een zogenoemde “ex-rental”. Belanghebbende heeft bij de aangifte ervoor gekozen de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2017; hierna: de Wet) bedoelde vermindering (afschrijving) te bepalen met gebruikmaking van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland (artikel 10, lid 7, van de Wet).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op aangifte voldane bedrag. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet op de door haar voor de afschrijving gebruikte waarde uit de koerslijst een extra vermindering mag toepassen omdat volgens haar bij de binnenlandse handel in gebruikte personenauto’s rekening wordt gehouden met een waardevermindering wanneer een personenauto een verhuurverleden heeft gehad (“ex-rental”). Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur dit bezwaar terecht heeft afgewezen.
Middel I richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel steunt op de opvatting dat bij het bepalen van de in artikel 10, lid 7, van de Wet bedoelde waarde op grond van artikel 110 VWEU een vermindering voor “ex-rental” moet worden toegepast, ook als de te registreren personenauto waarvan de afschrijving moet worden bepaald, niet een verhuurverleden heeft en ook als de door de belastingplichtige gehanteerde koerslijst geen onderscheid maakt tussen personenauto’s die wel en die niet “ex-rental” zijn. Die opvatting is onjuist.
Wanneer in een in de handel algemeen toegepaste koerslijst “ex-rental” als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat het in de handel voor de waardebepaling van een personenauto verschil maakt of de desbetreffende personenauto als “rental” is gebruikt of niet. Daaruit volgt dat bij toepassing van die koerslijst de aan deze variabele te verbinden waardevermindering alleen kan worden toegepast op personenauto’s die een “ex-rental” zijn.
Wanneer de belastingplichtige voor zijn aangifte gebruik maakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst waarin “ex‑rental” niet als variabele is opgenomen, moet ervan worden uitgegaan dat dit gegeven bij de waardebepaling volgens deze koerslijst niet relevant is. Het staat de belastingplichtige in dat geval niet vrij om - los van de gekozen koerslijst - een vermindering wegens “ex-rental” in aanmerking te nemen. Er moet immers van worden uitgegaan dat de variabelen die de koerslijst in aanmerking neemt, een samenhangend geheel vormen.
Het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod maakt dit een en ander niet anders. Dit verbod brengt mee dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige, gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. Daarom moet de als belastbare grondslag gehanteerde waarde van het ingevoerde tweedehands voertuig een weergave zijn van de waarde van een vergelijkbaar voertuig dat al op het nationale grondgebied is geregistreerd.[_84bf3d5f-8e9a-4847-9e89-a927d5c49d33] Om dat te bereiken moet bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.[_6fed7538-b9bb-4600-94c4-30d50411f859]
De omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, brengt, anders dan middel I betoogt, niet mee dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder verhuurverleden. In zoverre is immers niet sprake van gelijksoortige personenauto’s als hiervoor in 2.3.4 bedoeld. Evenmin brengt het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU mee dat de belastingplichtige die ervoor kiest de waarde van de te registreren personenauto te bepalen aan de hand van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, een aanvullende vermindering in aanmerking mag nemen op grond van een factor die in deze koerslijst niet staat.
Uit hetgeen hiervoor in 2.3.1 tot en met 2.3.5 is overwogen, volgt dat middel I faalt.
De overige middelen kunnen evenmin leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:1582 Hoge Raad, 2 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:3426 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1607 Gerechtshof Den Haag, 1 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:426 Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:131 Parket bij de Hoge Raad, 30 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:332 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2915 Gerechtshof Den Haag, 24 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2871 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2918 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2919 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2920 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2921 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2922 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2923 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2864 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2865 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2242 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2243 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2245 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2246 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2150 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2240 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2155 Gerechtshof Den Haag, 28 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1822 Gerechtshof Den Haag, 5 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1823 Gerechtshof Den Haag, 5 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1524 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1554 Gerechtshof Den Haag, 24 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1703 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1826 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1835 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2143 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:9520 Rechtbank Noord-Holland, 1 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2142 Gerechtshof Den Haag, 26 juni 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1146 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1149 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1152 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1101 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1103 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1104 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:832 Gerechtshof Den Haag, 12 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:386 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:388 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:389 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:632 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:635 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:494 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:497 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:80 Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2333 Gerechtshof Den Haag, 28 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2196 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2198 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2421 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2422 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2194 Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2329 Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1990 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.