Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 19 juni 2020
ECLI:NL:HR:2020:1069Zaaknummer 19/02177
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 juni 2020
- Publicatiedatum
- 19 juni 2020
- Zaaknummer
- 19/02177
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 84, lid 2, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en art. 38, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen. Vertrouwensbeginsel; mededeling UWV; geen voor de Inspecteur bindende toezegging inzake premieheffing.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02177
Datum 19 juni 2020
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2019, nr. 18/00743, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 17/3544) betreffende de ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2016 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 38, lid 3, Wet financiering sociale verzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 april 2020 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2020:316).
2 Beoordeling van de klachten
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Aan een door belanghebbende ontslagen werknemer (hierna: de ex-werknemer) is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) bij besluit van 9 januari 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toegekend (hierna: de uitkering). De aan de ex-werknemer toegekende en betaalde uitkering is de enige uitkeringslast waarop de berekening van de premiecomponent voor WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen van belanghebbende voor 2016 is gebaseerd. De afkorting WGA staat voor: werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Belanghebbende heeft tegen het in 2.1.1 genoemde besluit van 9 januari 2013 bezwaar gemaakt, naar aanleiding waarvan het UWV op 14 februari 2013 telefonisch contact heeft gehad met belanghebbende. Vervolgens heeft het UWV op 27 februari 2013 een e-mail gestuurd waarin is vermeld, voor zover voor de beoordeling van de klachten van belang:
“U maakt bezwaar tegen ‘het feit dat wij nu mogelijk als eigen risicodrager de kosten van de WIA krijgen’.
U kunt op dit moment geen bezwaar maken tegen het ‘feit’ dat UWV mogelijk in de toekomst wel, of niet, de uitkering op [X] verhaalt. Er is namelijk niet besloten dat de WIA van [A] op [X] verhaald wordt.
In de beslissing staat ook niet dat u als ERD verantwoordelijk blijft voor de re-integratie. Integendeel, er staat dat UWV ondersteuning verleent.
Op 14 februari 2013 is telefonisch al aan u medegedeeld dat omdat het dienstverband is beëindigd vóór ingangsdatum WIA, de werkgever niet verantwoordelijk is voor re-integratie en de uitkering niet verhaald wordt op de werkgever.”
Met dagtekening 23 november 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2016 een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas (hierna: Whk) gegeven.
Voor het Hof was in geschil of de gedifferentieerde premie Whk op grond van het vertrouwensbeginsel berekend moet worden zonder de uitkering in aanmerking te nemen.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belasting- of premieplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.[_5a45b968-c01d-4107-ae36-61866c8d0f0c] Dit sluit aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918.
Klaarblijkelijk heeft het Hof aan de hiervoor bij 2.1.2 weergegeven mededeling de betekenis toegekend dat het UWV daarmee antwoord heeft gegeven op de door belanghebbende gestelde vraag of het UWV gebruik zou maken van de aan haar in artikel 84, lid 2, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (tekst 2013) gegeven bevoegdheid een door het UWV betaalde uitkering op een eigenrisicodrager te verhalen. Het oordeel van het Hof dat deze mededeling niet kan worden opgevat als een toezegging waaraan belanghebbende het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat bij de premieheffing de uitkering niet zou doorwerken in de hoogte van het gedifferentieerde premiepercentage Whk geeft geen blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in 2.3.1 is overwogen.Dat wordt, anders dan de klachten kennelijk voorstaan, niet anders indien het UWV bij het doen van de mededeling ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende eigenrisicodrager was voor de ex-werknemer. Zoals in het hiervoor in 2.1.2 aangehaalde citaat tot uitdrukking komt, was het belanghebbende die heeft gemeld dat zij eigenrisicodrager was. Die vermelding was met betrekking tot de ex-werknemer onjuist, zodat het Hof reeds om die reden de mededeling van het UWV niet als een de Inspecteur bindende toezegging hoefde aan te merken.
In zoverre missen de klachten doel. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de overige klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3 Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2020.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2020:316 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARL:2019:2607 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:8026 Rechtbank Gelderland, 25 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5875 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2079 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:9007 Rechtbank Noord-Holland, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1599 Gerechtshof Den Haag, 13 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:798 Gerechtshof Amsterdam, 3 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:330 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:353 Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:58 Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:16031 Rechtbank Noord-Holland, 19 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2872 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2874 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2672 Gerechtshof Den Haag, 11 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14335 Rechtbank Noord-Holland, 8 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2865 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2866 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:3019 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6478 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6480 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6527 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6616 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6252 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2025 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1746 Gerechtshof Amsterdam, 3 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:972 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:965 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1241 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1597 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:725 Gerechtshof Amsterdam, 11 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:204 Parket bij de Hoge Raad, 14 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:114 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8810 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2717 Gerechtshof Den Haag, 28 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6944 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7496 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3522 Rechtbank Noord-Nederland, 10 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2724 Gerechtshof Amsterdam, 27 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1661 Gerechtshof Den Haag, 7 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4871 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4604 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1036 Gerechtshof Den Haag, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:850 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1501 Gerechtshof Amsterdam, 14 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2823 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:755 Gerechtshof Den Haag, 25 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1710 Gerechtshof Amsterdam, 23 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1711 Gerechtshof Amsterdam, 23 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag, 9 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:4834 Rechtbank Noord-Holland, 14 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag, 21 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:723 Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:9083 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2727 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Gerechtshof Den Haag, 19 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2219 Gerechtshof Den Haag, 28 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2044 Gerechtshof Den Haag, 20 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:243 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 15 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6391 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 september 2023 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.