Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 15 mei 2018
ECLI:NL:HR:2018:717Zaaknummer 17/03754
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 mei 2018
- Publicatiedatum
- 16 mei 2018
- Zaaknummer
- 17/03754
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. ontucht met 9-jarige jongen, art. 247 Sr. Unus testis, art. 342.2 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BM2452 m.b.t. bewijsminimum van art. 342.2 Sv. Middel betoogt terecht dat niet vereist is dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de tlgd. (ontuchtige) gedragingen. Hof heeft dit niet miskend. Hof heeft geoordeeld dat en waarom de door de jongen gereleveerde f&o wat betreft de tlgd. gedragingen op zichzelf staan en onvoldoende concrete steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het kan, verweven als het is met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. CAG (anders): ’s Hofs kennelijke rechtsopvatting dat voor het voldoen aan het bewijsminimum van art. 342.2 Sv is vereist dat voor de getuigenverklaring op het punt van de “kern” van het tlgd. (de specifieke ontuchtige handelingen) steun is te vinden in het overige bewijsmateriaal, is onjuist.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
15 mei 2018
Strafkamer
nr. S 17/03754
SA/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2017, nummer 23/001497-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2 Beoordeling van het middel
Het middel komt op tegen de gegeven vrijspraak. Het betoogt daartoe dat het oordeel van het Hof dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 12 november 2014 te Velserbroek, gemeente Velsen, en/of te Heemskerk, in elk geval (telkens) in Nederland, (telkens) met [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 2005), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) een en/of meermalen:
- (terwijl hij, verdachte, in hetzelfde bed lag als [betrokkene 1] en/of naast [betrokkene 1] op een bank zat) zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van [betrokkene 1] bewegen en/of de penis en/of het scrotum en/of de billen van [betrokkene 1] voelen en/of betasten en/of (een) op en neergaande beweging(en) maken met de penis van [betrokkene 1] en/of de penis van [betrokkene 1] hard maken en/of
- (na het douchen van [betrokkene 1]) de penis van [betrokkene 1] in zijn, verdachtes, mond nemen en/of de penis van [betrokkene 1] hard maken."
Het Hof heeft de verdachte daarvan vrijgesproken. Het heeft daartoe het volgende overwogen:
"De verklaring van [betrokkene 1] is betrouwbaar en geloofwaardig
Het hof acht het van belang voorop te stellen dat de verklaring van [betrokkene 1], afgelegd tijdens het studioverhoor bij de politie en kort gezegd inhoudende dat de verdachte tijdens het naar bed brengen, het logeren en het spelen van videogames meermalen aan zijn piemel heeft gezeten en deze éénmaal in zijn mond heeft genomen, op het hof authentiek over komt en dat het hof deze verklaring betrouwbaar acht. Daarbij is mede van belang dat de in de studio afgelegde en opgenomen verklaring van [betrokkene 1] op betrouwbaarheid is onderzocht en beoordeeld door de deskundige Van der Sleen, die heeft geconcludeerd dat de verklaring van [betrokkene 1] accuraat, volledig en consistent is.
Het steunbewijs is onvoldoende
Het hof laat in het midden of het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het ondervragen van [betrokkene 1] door de verdediging (waarvan in casu inderdaad sprake is) dient te leiden tot de conclusie dat zijn studioverklaring niet tot bewijs mag worden gebezigd, nu het hof ook bij gebruik van die verklaring tot een vrijspraak komt bij gebrek aan voldoende (kwalitatief) steunbewijs. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Zedenzaken worden vaak gekenmerkt door het gegeven dat naast de verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte weinig of geen steunbewijs voorhanden is, omdat bij de tenlastegelegde handelingen alleen de verdachte en het slachtoffer aanwezig zijn geweest. Indien steunbewijs ontbreekt of door de rechter ontoereikend wordt bevonden, blijven de beschuldigende verklaring van het slachtoffer en de ontkennende verklaring van de verdachte als onverenigbaar tegenover elkaar staan. In dat geval laat het systeem van de strafwet geen ruimte voor een bewezenverklaring, omdat op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de rechter het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag baseren op de verklaring van één getuige. De verdachte kan dan niet worden veroordeeld.
De verklaring van [betrokkene 1] wordt in zoverre ondersteund door ander bewijs dat getuigen verklaren dat i) de verdachte [betrokkene 1] geregeld naar bed bracht, ii) [betrokkene 1] tijdens het logeren met de verdachte in één bed sliep en iii) de verdachte en [betrokkene 1] samen onder een plaid op de bank videogames speelden. Deze verklaringen zien weliswaar op de context waarbinnen de seksuele handelingen volgens [betrokkene 1] zouden hebben plaatsgehad, maar bieden onvoldoende concrete steun voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Ook de emoties van [betrokkene 1] die zijn moeder heeft waargenomen toen [betrokkene 1] haar over het misbruik vertelde, bieden deze steun niet. Zij onderstrepen wel de geloofwaardigheid van [betrokkene 1], maar zij houden als steunbewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen onvoldoende verband met die handelingen als zodanig. Voorts kan hetgeen de moeder van [betrokkene 1] heeft verklaard over hetgeen deze haar heeft verteld over het tenlastegelegde niet het vereiste steunbewijs opleveren, omdat de bron van haar verklaringen dezelfde is als de verklaringen die ondersteuning behoeven, namelijk [betrokkene 1] zelf. Tot slot kunnen de voornoemde verklaringen naar het oordeel van het hof ook in onderlinge samenhang niet in voldoende mate steun bieden aan de verklaringen van [betrokkene 1].
Nu voldoende wettig bewijs ontbreekt moet de verdachte worden vrijgesproken."
Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM2452, NJ 2010/515).
Het middel betoogt terecht dat niet vereist is dat het in rov. 2.3 bedoelde steunbewijs betrekking dient te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, heeft het Hof dit echter niet miskend. De hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen houden in dat het Hof heeft geoordeeld dat en waarom de door de getuige [betrokkene 1] gereleveerde feiten en omstandigheden wat betreft de tenlastegelegde gedragingen op zichzelf staan en onvoldoende concrete steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het kan, verweven als het is met aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst.
Het middel faalt.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2018.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2018:217 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2867 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2516 Rechtbank Noord-Nederland, 1 juli 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1727 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1220 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2961 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2962 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9407 Rechtbank Den Haag, 13 april 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:371 Gerechtshof Den Haag, 5 maart 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 januari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3485 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16644 Rechtbank Den Haag, 8 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2058 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 juli 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2043 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:228 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 11 juni 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2025:14 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 31 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:23 Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1315 Parket bij de Hoge Raad, 10 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8394 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16711 Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2024 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3084 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:941 Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1116 Hoge Raad, 10 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3112 Rechtbank Noord-Nederland, 13 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5379 Rechtbank Amsterdam, 25 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2566 Rechtbank Noord-Nederland, 9 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6183 Rechtbank Gelderland, 5 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:5617 Rechtbank Gelderland, 2 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:686 Hoge Raad, 14 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1363 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1380 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1381 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1382 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:2318 Rechtbank Midden-Nederland, 18 april 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1294 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:259 Parket bij de Hoge Raad, 19 maart 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:953 Rechtbank Gelderland, 9 februari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4335 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8094 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 november 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:11364 Rechtbank Noord-Holland, 2 november 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10649 Rechtbank Noord-Holland, 24 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1935 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5174 Rechtbank Midden-Nederland, 2 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:806 Parket bij de Hoge Raad, 26 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3064 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:3709 Rechtbank Noord-Nederland, 5 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2720 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4394 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:3996 Rechtbank Noord-Holland, 2 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2472 Rechtbank Gelderland, 28 april 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:840 Gerechtshof Amsterdam, 3 april 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1482 Rechtbank Noord-Holland, 23 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:503 Gerechtshof Amsterdam, 22 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:202 Parket bij de Hoge Raad, 21 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:840 Rechtbank Amsterdam, 9 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:466 Rechtbank Midden-Nederland, 7 februari 2023 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:892 Gerechtshof Amsterdam, 20 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5156 Rechtbank Gelderland, 1 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:1854 Rechtbank Midden-Nederland, 13 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:437 Parket bij de Hoge Raad, 10 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:3773 Rechtbank Noord-Holland, 12 april 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:529 Gerechtshof Den Haag, 6 april 2022 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.