Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 28 september 2018
ECLI:NL:HR:2018:1782Zaaknummer 17/03508
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 september 2018
- Publicatiedatum
- 28 september 2018
- Zaaknummer
- 17/03508
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Kort geding. Proceskostenveroordeling eerste aanleg voldoende belang voor hoger beroep. Is aanbod wederpartij om af te zien van inning van door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep voldoende om belang aan rechtsmiddel te ontnemen?
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 502,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 september 2018.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
28 september 2018
Eerste Kamer
17/03508
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1],
2. [eiser 2] ,beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. GEMEENTE ROTTERDAM,zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben,
2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO DORDRECHT-ROTTERDAM,gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s., de Gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/497847/KG ZA 16-316 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 april 2016;
b. het arrest in de zaak 200.192.268/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend primair tot verwerping en subsidiair tot referte. Tegen de Raad voor de Kinderbescherming is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing.
3 Beoordeling van het middel
In dit kort geding hebben [eiser] c.s. verschillende vorderingen ingesteld die verband houden met het beleid van de Gemeente voor vrijstelling van de leerplicht wegens richtingbezwaren (art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969).
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft [eiser] c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van [eiser] c.s. in de proceskosten.
Het hof heeft daartoe in rov. 26 van zijn arrest tot uitgangspunt genomen dat [eiser] c.s. belang hebben bij een oordeel over de in het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling. Niettemin overweegt het hof in rov. 26 in verbinding met rov. 25 dat het niet toekomt aan een oordeel over de proceskostenveroordeling. Deze veroordeling kan volgens het hof pas worden beoordeeld in het kader van de rechtmatigheidstoets van het door de Gemeente gevoerde beleid omtrent thuisonderwijs. Die toets gaat het bestek te buiten van een beoordeling in kort geding, en is voorbehouden aan de bodemrechter.
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de proceskostenveroordeling van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht is uitgesproken en dus ook of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
Het middel is gegrond. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211.)
Het voorgaande betekent dat het hof in deze zaak had te beoordelen of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
De Gemeente heeft in deze zaak aangevoerd dat [eiser] c.s. niet een voldoende belang bij hun cassatieberoep hebben, en heeft daartoe gewezen op haar aanbod om af te zien van inning van het bedrag van de door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot betaling waarvan [eiser] c.s. zijn veroordeeld.
Een aanbod als hiervoor in 3.4.1 bedoeld, brengt niet mee dat geen belang (meer) bestaat bij een rechtsmiddel. Daarvoor is vereist dat het aanbod ook vergoeding van de proceskosten omvat van de partij die het rechtsmiddel heeft aangewend, zowel in de vorige instantie(s) als in het kader van dat rechtsmiddel. De beoordeling door de hogere rechter van de toewijsbaarheid van de in vorige instantie(s) voorliggende vordering kan immers ook leiden tot het oordeel dat de wederpartij had moeten worden veroordeeld in de kosten van die instantie(s).
Bij procederen op eigen kosten zou het hiervoor bedoelde aanbod een vergoeding van de verrichte proceshandelingen volgens het liquidatietarief moeten behelzen; bij procederen op basis van een toevoeging, een vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 502,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 september 2018.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2018:516 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2326 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:581 Gerechtshof Amsterdam, 10 maart 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2025:1138 Parket bij de Hoge Raad, 17 oktober 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2688 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 september 2025 (goederenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1761 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 juni 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:466 Gerechtshof Den Haag, 11 maart 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:21 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 januari 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 december 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3300 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 oktober 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1887 Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1457 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 april 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:58 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 januari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2635 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 augustus 2023 (goederenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:178 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 januari 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:1243 Parket bij de Hoge Raad, 23 december 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2694 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 augustus 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:90 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 6 april 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3705 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 december 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2185 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3537 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 november 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3473 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 november 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7166 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 september 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:958 Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 maart 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:1179 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4394 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 december 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3868 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3630 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3605 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3492 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 september 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3330 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 september 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:6713 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2263 Gerechtshof Den Haag, 20 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:6228 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juli 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1073 Gerechtshof Den Haag, 7 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:602 Gerechtshof Den Haag, 19 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:2010 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2019:292 Hoge Raad, 22 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:293 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:168 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 januari 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2361 Hoge Raad, 21 december 2018 (internationaal privaatrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4876 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2878 Gerechtshof Den Haag, 30 oktober 2018 (aanbestedingsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4507 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 oktober 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2018:516 Parket bij de Hoge Raad, 18 mei 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2326 Gerechtshof Den Haag, 30 mei 2017 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.