Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 12 mei 2017
ECLI:NL:HR:2017:844Zaaknummer 15/05579
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 mei 2017
- Publicatiedatum
- 12 mei 2017
- Zaaknummer
- 15/05579
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; procesrecht. Art. 20b, lid 1, Wet Vpb 1969. Procesbelang. Rechtsmiddel is ontvankelijk als het de indiener ervan in een betere positie kan brengen (BNB 2014/122). Het rechtsmiddel van bezwaar kan slechts strekken tot verlaging van de bestreden aanslag onderscheidenlijk verhoging van het in de verliesvaststellingsbeschikking vastgestelde bedrag.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, behoudens voor zover deze de beslissing omtrent de aanslag betreffen,
draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij het verlies van het jaar 2010 is vastgesteld,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak bij de Rechtbank ten bedrage van € 328,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1857, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1485, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
12 mei 2017
nr. 15/05579
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 22 oktober 2015, nr. AWB 14/2086, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 20 juli 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:855).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 2010 een verlies aangegeven van € 7.854.895. Het verlies is veroorzaakt door onder meer een afwaardering in dat jaar van bij belanghebbende in bezit zijnde huurwoningen met een bedrag van € 13.030.607.
De Inspecteur heeft de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag) opgelegd conform de aangifte en vastgesteld op nihil. Tevens heeft hij het verlies van het jaar 2010 bij beschikking vastgesteld op € 7.854.895 (hierna: de verliesvaststellingsbeschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen zowel de aanslag als de verliesvaststellingsbeschikking. Zij wil bij nader inzien de afwaardering van de huurwoningen ongedaan maken en de alsdan resulterende winst toevoegen aan de herbestedingsreserve in de zin van artikel 12 (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
De Inspecteur heeft beide bezwaren van belanghebbende bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.
De Rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, nr. 13/01903, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122 (hierna: het arrest BNB 2014/122), geoordeeld dat de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien tegemoetkoming aan de bezwaren, ongeacht de gronden waarop deze steunen, belanghebbende niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot de bestreden besluiten. De Rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat bij gegrondverklaring van de bezwaren de aanslag nihil zou blijven en dat de verliesvaststellingsbeschikking op nihil zou worden gesteld.
Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de verliesvaststellingsbeschikking. Het betoogt dat het arrest BNB 2014/122 enkel ziet op aanslagen en niet opgaat voor andere voor bezwaar vatbare beschikkingen zoals een verliesvaststellingsbeschikking.
Een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is (zie het arrest BNB 2014/122, rechtsoverweging 3.4.2).
Het bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking is ten onrechte niet‑ontvankelijk verklaard, aangezien niet kan worden gezegd dat het bezwaar tegen die beschikking belanghebbende niet in een betere positie kon brengen. Dat rechtsmiddel bood immers de mogelijkheid dat de Inspecteur op andere, door belanghebbende (nader) aan te voeren, gronden tot het oordeel zou komen dat het verlies van het jaar 2010 hoger moet worden vastgesteld dan hij had gedaan. Het oordeel van de Rechtbank berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
Opmerking verdient dat de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep slechts kunnen strekken tot verlaging van de bestreden aanslag onderscheidenlijk verhoging van het bij de verliesvaststellingsbeschikking vastgestelde bedrag.
Gelet op het hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Het tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank ingestelde beroep betreffende de verliesvaststellingsbeschikking dient gegrond te worden verklaard, die uitspraak van de Inspecteur dient te worden vernietigd, en de zaak dient te worden terugverwezen naar de Inspecteur opdat deze opnieuw beslist op het bezwaar tegen die beschikking. Voor een afwijking van de hoofdregel dat bij vernietiging van een uitspraak op bezwaar waarbij het bezwaar niet‑ontvankelijk is verklaard de rechter de inspecteur opdraagt opnieuw op het bezwaar te beslissen, bestaat, gezien het verzoek van de Inspecteur in zijn verweerschrift voor de Rechtbank om bij gegrondverklaring van het beroep de zaak terug te verwijzen, geen aanleiding (vgl. HR 22 februari 2008, nr. 43289, ECLI:NL:HR:2008:BC4811, BNB 2008/113).
3 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, behoudens voor zover deze de beslissing omtrent de aanslag betreffen,
draagt de Inspecteur op opnieuw uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij het verlies van het jaar 2010 is vastgesteld,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak bij de Rechtbank ten bedrage van € 328,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1857, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1485, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2017.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:855 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:RBGEL:2015:6421 http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2578 Gerechtshof Amsterdam, 28 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2026:83 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 12 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2130 Gerechtshof Amsterdam, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2131 Gerechtshof Amsterdam, 9 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:390 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2026:3 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 12 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2835 Gerechtshof Den Haag, 2 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1196 Parket bij de Hoge Raad, 8 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:828 Parket bij de Hoge Raad, 23 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:777 Parket bij de Hoge Raad, 26 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:265 Hoge Raad, 23 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:278 Gerechtshof Den Haag, 21 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:322 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 7 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6809 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:248 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 11 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:328 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 3 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:156 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 29 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1447 Gerechtshof Den Haag, 27 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:124 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 31 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:125 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 31 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1361 Rechtbank Noord-Holland, 9 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:8020 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 december 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5623 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAM:2022:61 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 16 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:756 Parket bij de Hoge Raad, 16 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1829 Gerechtshof Amsterdam, 21 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5516 Rechtbank Noord-Holland, 2 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:804 Gerechtshof Amsterdam, 15 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11526 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1989 Gerechtshof Den Haag, 6 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:854 Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11345 Rechtbank Den Haag, 14 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1056 Gerechtshof Den Haag, 29 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:1240 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3768 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:11276 Rechtbank Noord-Holland, 25 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9417 Rechtbank Den Haag, 23 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2278 Gerechtshof Amsterdam, 18 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:5444 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:865 Gerechtshof Den Haag, 22 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2019:289 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 20 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3521 Gerechtshof Den Haag, 18 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3522 Gerechtshof Den Haag, 18 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3478 Gerechtshof Den Haag, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3522 Gerechtshof Den Haag, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1169 Gerechtshof Amsterdam, 27 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:7103 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:873 Parket bij de Hoge Raad, 31 augustus 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2196 Gerechtshof Den Haag, 18 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5575 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:3482 Rechtbank Gelderland, 4 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:3243 Rechtbank Gelderland, 21 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:855 Parket bij de Hoge Raad, 20 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2015:6421 Rechtbank Gelderland, 22 oktober 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.