Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 31 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:529Zaaknummer 16/01727
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 31 maart 2017
- Publicatiedatum
- 31 maart 2017
- Zaaknummer
- 16/01727
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Loonbelasting. Art. 10, lid 1, Wet LB (tekst 2010). Aan politiebeambte wordt een bedrag toegekend ter compensatie voor het leed dat hij als gevolg van twee ongevallen heeft geleden. De vergoeding vindt niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4455 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
31 maart 2017
nr. 16/01727
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2016, nr. 15/00156, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 14/2510) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 9 november 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende (ECLI:NL:PHR:2016:1130).
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van het middel in het principale beroep
2.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.2. Belanghebbende was in loondienst werkzaam bij de politie. In 1981 en 1986 heeft hij bij de uitoefening van politiewerkzaamheden ernstig letsel opgelopen (hierna: de incidenten). In 2007 is bij belanghebbende een tumor geconstateerd, hetgeen heeft geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid en ontslag in 2012.
2.1.3. Bij brief van 30 juli 2012 heeft de korpsleiding aan belanghebbende meegedeeld dat hij een bedrag van € 15.000 netto zal ontvangen als immateriële compensatie voor leed ondervonden ten gevolge van de incidenten, waardoor zijn loopbaanontwikkeling sterk is gestagneerd.
2.1.4. Het aan belanghebbende toegekende bedrag is uitbetaald als € 25.862,06 bruto (hierna: de vergoeding) waarop € 10.862,06 aan loonheffing is ingehouden.
2.2.1. Voor het Hof was in geschil of de door zijn werkgever aan belanghebbende verstrekte vergoeding terecht als loon in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken.
2.2.2. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de vergoeding, als betaald in het kader van de dienstbetrekking, tot het loon behoort in de zin van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2010; hierna: de Wet LB). Evenwel is, gelet op de bedoeling van de werkgever om enige compensatie te geven voor het leed dat belanghebbende had ondervonden en de omstandigheden die tot de toekenning van de vergoeding hebben geleid, sprake van een vergoeding die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel wordt ervaren (artikel 11, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet LB in verbinding met artikel 15, aanhef en letter b, van de Wet LB). De vergoeding is ten onrechte in de heffing van inkomstenbelasting betrokken, aldus het Hof.
2.3.1. De werkgever heeft blijkens de vaststellingen van het Hof de vergoeding aan belanghebbende toegekend ter compensatie van diens leed als gevolg van de incidenten die tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat diens loopbaanontwikkeling daardoor sterk is gestagneerd.
2.3.2. De hiervoor in 2.3.1 vermelde vaststellingen van het Hof laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende als gevolg van de incidenten naast leed een vermindering van arbeidskracht heeft ondervonden, die heeft geleid tot een sterke stagnatie van zijn loopbaanontwikkeling, en dat het bedrag dat de werkgever uit dien hoofde aan belanghebbende deed toekomen, strekt tot vergoeding van deze immateriële schade en dit verlies aan arbeidskracht. Een dergelijke vergoeding vindt niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt (vgl. HR 29 juni 1983, nr. 21435, BNB 1984/2).
2.3.3. Het Hof is daarom, wat er zij van de daartoe gebezigde overwegingen, terecht tot de slotsom gekomen dat de uitkering ten onrechte in de heffing van inkomstenbelasting is betrokken.
3 Het incidentele beroep
Aangezien het incidentele beroep niet strekt tot verkrijging van een voor belanghebbende gunstiger resultaat dan reeds uit ’s Hofs uitspraak voortvloeit, is dat beroep kennelijk alleen ingesteld voor het geval het principale beroep tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak zou leiden. Dat geval doet zich niet voor, zodat het incidentele beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt.
4 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4455 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:1130 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARL:2016:1393 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2025:3003 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9721 Rechtbank Noord-Holland, 3 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1988 Gerechtshof Den Haag, 22 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:576 Gerechtshof Den Haag, 17 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12998 Rechtbank Den Haag, 10 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:790 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1185 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:3534 Rechtbank Den Haag, 10 april 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4319 Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4320 Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4321 Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4322 Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4323 Rechtbank Gelderland, 9 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1130 Parket bij de Hoge Raad, 9 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:1393 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 februari 2016 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.