Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 17 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:441Zaaknummer 15/04187
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 maart 2017
- Publicatiedatum
- 17 maart 2017
- Zaaknummer
- 15/04187
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 1 en art. 3 Wet KSB; art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008. Van een individuele en buitensporige last is sprake wanneer een maatregel zich in een concreet geval sterker laat voelen dan in het algemeen.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
17 maart 2017
Nr. 15/04187
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z], (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 juli 2015, nr. BK-14/00769, betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is op het beroep van de Staatssecretaris bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 12/04123, ECLI:NL:HR:2014:1524, BNB 2014/220, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2 Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, belanghebbende door D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam en B. Jongmans, advocaat te Halfweg, de Staatssecretaris door C.M. Bergman en R.T. Wiegerink, advocaten te Den Haag.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 september 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1035).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3 Beoordeling het de middel
Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de keuze van de wetgever om kansspelautomaten met ingang van 1 juli 2008 naar dezelfde grondslag in de heffing van kansspelbelasting te betrekken als tafelspelen in een casino, in het geval van belanghebbende niet heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.
Voormelde keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65). Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle exploitanten van kansspelautomaten geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen (vgl. HR 16 november 2001, nr. C00/142, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469).
In de onderdelen 8.6.1 tot en met 8.6.4 van de bestreden uitspraak is niet meer vastgesteld dan dat het netto bedrijfsresultaat van belanghebbende gedurende een reeks van jaren niet negatief is geweest. ’s Hofs oordeel dat om deze reden niet gesproken kan worden van een individuele en buitensporige last geeft ofwel blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2 is overwogen, of is – mede gelet op hetgeen is vermeld in onderdeel 6.35 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal ontoereikend gemotiveerd.
Het middel slaagt derhalve. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:1035 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2118 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2026:8513 Rechtbank Noord-Holland, 25 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2231 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2232 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2233 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2234 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2944 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1454 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1457 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1197 Parket bij de Hoge Raad, 22 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1465 Gerechtshof Den Haag, 2 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:657 Parket bij de Hoge Raad, 30 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10475 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:6112 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1012 Rechtbank Noord-Holland, 30 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:163 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6269 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2864 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:2441 Gerechtshof Amsterdam, 14 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:5364 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:850 Hoge Raad, 8 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:796 Gerechtshof Den Haag, 27 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:797 Gerechtshof Den Haag, 27 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:848 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:703 Rechtbank Noord-Nederland, 15 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:9378 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4670 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4288 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:8189 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:5804 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:5805 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3399 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3400 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3406 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:2430 Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5606 Rechtbank Noord-Holland, 7 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1966 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1967 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2342 Rechtbank Gelderland, 24 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:3212 Rechtbank Noord-Holland, 24 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1035 Parket bij de Hoge Raad, 30 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2118 Gerechtshof Den Haag, 29 juli 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.