Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 3 maart 2017
ECLI:NL:HR:2017:341Zaaknummer 16/01176
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 maart 2017
- Publicatiedatum
- 3 maart 2017
- Zaaknummer
- 16/01176
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BPM; art. 8:69, lid 1, Awb; art. 28c Invorderingswet 1990; terugbetaling van geheven bpm; recht op invorderingsrente? Hof beslist ten onrechte over een na 1 januari 2015 tijdens het hoger beroep voor het eerst gedaan verzoek om vergoeding van invorderingsrente (‘Irimie-rente’).
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof de Inspecteur heeft gelast aan belanghebbende rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
3 maart 2017
nr. 16/01176
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] v.o.f. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 februari 2016, nr. 15/00023, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4203) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 31 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1103).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Beoordeling van de middelen
Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422, BNB 2016/143, en HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421, BNB 2016/144).
Belanghebbende heeft op 23 november 2015 tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (hierna: het arrest Irimie) - een verzoek gedaan om vergoeding van rente over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van € 510 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) dat zij ten onrechte heeft betaald.
Met betrekking tot dit verzoek heeft het Hof vooropgesteld dat op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) voor een aanspraak op vergoeding van invorderingsrente is vereist dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat slechts een gedeelte – groot € 133 – van de te gelasten vermindering van de naheffingsaanslag belasting betreft die in strijd met het Unierecht is geheven. Slechts voor dat gedeelte van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende recht op vergoeding van invorderingsrente, aldus het Hof.
Het Hof heeft gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
De middelen I en III zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
Naar aanleiding van het arrest Irimie is met ingang van 1 januari 2015 aan de Invorderingswet artikel 28c toegevoegd. Op grond van het eerste lid van deze bepaling wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Op grond van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet beslist de ontvanger op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 28c van de Invorderingswet heeft onmiddellijke werking.
In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot het bepaalde in artikel 28c, lid 1, van de Invorderingswet het volgende opgenomen (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002 nr. 3, blz. 77 (Belastingplan 2015)):
“Invorderingsrente wordt op verzoek aan de belastingschuldige vergoed door de ontvanger nadat de inspecteur het recht op teruggaaf heeft vastgesteld door middel van een vermindering van een belastingaanslag of de vaststelling van een teruggaafbeschikking. Voorwaarde is wel dat de teruggaaf verband houdt met de omstandigheid dat die belasting eerder in strijd met het Unierecht is geheven (en betaald, voldaan of afgedragen). De aanleiding voor het vaststellen van zo’n teruggaafbeschikking door de inspecteur kan zijn gelegen in een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak ter zake van de geheven belasting in kwestie maar kan ook gelegen zijn in een andere uitspraak, dezelfde rechtsvraag betreffend, waaruit volgt dat de belasting in strijd met het Unierecht is geheven.”
Uit deze passage moet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de beoordeling of invorderingsrente moet worden vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting niet eerder te doen plaatsvinden dan nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat geheven belasting moet worden terugbetaald.
Voorts heeft de wetgever beoogd dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om op de voet van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente toekomen.
Het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek van belanghebbende heeft vanwege het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger of een door de Rechtbank daaromtrent gegeven (neven)beslissing niet op grond van artikel 8:69 Awb kunnen vallen binnen de grenzen van het geschil in hoger beroep. Vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c van de Invorderingswet, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter de bevoegdheid geeft bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep te beslissen op verzoeken om schadevergoeding, was het Hof evenmin bevoegd in de onderhavige zaak een uitspraak over het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek te doen.
Het Hof heeft dit een en ander miskend en ten onrechte bij zijn uitspraak de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende met inachtneming van zijn aanwijzingen rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet. De uitspraak van het Hof kan in zoverre niet in stand blijven. De middelen I en III treffen in zoverre doel en behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof de Inspecteur heeft gelast aan belanghebbende rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:1103 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2016:426 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:911 Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:590 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1145 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1146 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1147 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1148 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1149 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1103 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1104 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag, 20 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:656 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:388 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:389 Gerechtshof Den Haag, 27 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:71 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1641 Gerechtshof Den Haag, 5 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:887 Gerechtshof Den Haag, 1 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6459 Rechtbank Gelderland, 29 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:6391 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:843 Gerechtshof Amsterdam, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2823 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2825 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2826 Gerechtshof Den Haag, 24 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:924 Gerechtshof Amsterdam, 8 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8822 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8826 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:822 Parket bij de Hoge Raad, 13 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7349 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1386 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1387 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1448 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1449 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1450 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1451 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1453 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1454 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1455 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1456 Gerechtshof Den Haag, 15 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2260 Gerechtshof Amsterdam, 24 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:816 Gerechtshof Amsterdam, 23 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:1532 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam, 17 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3853 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3854 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3855 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3856 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3857 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3858 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3859 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3860 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3861 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3862 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3852 Gerechtshof Amsterdam, 27 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7456 Rechtbank Noord-Holland, 5 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7488 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7489 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1539 Gerechtshof Den Haag, 14 augustus 2020 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.