Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 27 mei 2016
ECLI:NL:HR:2016:997Zaaknummer 16/00491
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 mei 2016
- Publicatiedatum
- 27 mei 2016
- Zaaknummer
- 16/00491
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie, Beschikking
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wet Bopz. Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). Doorbreking rechtsmiddelenverbod (art. 29 Wet Bopz); HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335, NJ 2016/198. Gevolg van te late indiening verzoek; vgl. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, NJ 2015/218.
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015 voor zover de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend voor een periode van drie weken, en bepaalt dat de machtiging heeft gegolden voor een periode van drie weken min een dag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 mei 2016.
Volledige tekst
27 mei 2016
Eerste Kamer
16/00491
EV/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1 Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/293254 / FA RK 15/3761 van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover daarin een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend voor de volle termijn, als bedoeld in art. 30 Wet Bopz.
3. Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 18 november 2015 heeft de waarnemend burgemeester van de gemeente Nijmegen op de voet van art. 20 Wet Bopz de opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis gelast.
(ii) Op donderdag 19 november 2015 heeft de officier van justitie een afschrift van deze beschikking en van de daarbij behorende geneeskundige verklaring ontvangen.
(iii) Bij op maandag 23 november 2015 ter griffie van de rechtbank binnengekomen verzoekschrift heeft de officier van justitie verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene (art. 27 Wet Bopz).
(iv) Op 26 november 2015 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2015de verzochte machtiging verleend. Zij heeft het door de advocaat van betrokkene ter zitting gevoerde verweer dat de officier van justitie zijn verzoek te laat heeft ingediend, verworpen en overwoog daartoe dat “alle termijnen correct in acht zijn genomen”.
Het middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat alle termijnen correct in acht zijn genomen. Het middel betoogt onder meer dat de officier van justitie ingevolge art. 27 Wet Bopz zijn verzoek had moeten doen uiterlijk op de dag na de ontvangst van de stukken van de burgemeester. Nu de Wet Bopz uitdrukkelijk de termijn noemt die in acht moet worden genomen, kan niet worden gezegd dat betrokkene van zijn vrijheid is beroofd conform art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM, aldus het middel.
Het beroep is gericht tegen een beschikking op een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz. Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat tegen deze beschikking geen gewoon rechtsmiddel open. Nu het middel klaagt over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, - te weten: de waarborg dat de officier van justitie zijn verzoek indient binnen de in de Wet Bopz neergelegde termijn -, bestaat grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 29 lid 5 Wet Bopz. Betrokkene is derhalve ontvankelijk in zijn cassatieberoep (vgl. HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3335, en HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1753).
Indien de officier van justitie na ontvangst van de in art. 25 lid 2 Wet Bopz bedoelde bescheiden van oordeel is dat er grond is voor voortzetting van de inbewaringstelling, doet hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van deze bescheiden die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet, een verzoek aan de rechtbank tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 27 Wet Bopz). De datum van ontvangst ter griffie van de rechtbank is bepalend voor het antwoord op de vraag of het verzoekschrift door de officier van justitie tijdig is ingediend. Nu het onderhavige verzoekschrift eerst op maandag 23 november 2015 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)), terwijl de officier van justitie de in art. 25 lid 2 Wet Bopz bedoelde bescheiden reeds op donderdag 19 november 2015 had ontvangen (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)), is het verzoekschrift een dag te laat ingediend. De klacht is derhalve gegrond. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend voor een periode van drie weken. Nu de looptijd van de machtiging is verstreken, zal de Hoge Raad de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de verzochte machtiging is verleend voor de volle periode van drie weken als bedoeld in art. 30 Wet Bopz in plaats van voor een periode van drie weken min een dag. (vgl. HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:842, NJ 2015/218)
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 26 november 2015 voor zover de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling is verleend voor een periode van drie weken, en bepaalt dat de machtiging heeft gegolden voor een periode van drie weken min een dag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 mei 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 27 BWBR0005700
- Artikel 29 BWBR0005700
- Artikel 5 EVRM meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2016:416 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBROT:2024:1331 Rechtbank Rotterdam, 23 februari 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4830 Rechtbank Noord-Nederland, 29 mei 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:33 Hoge Raad, 13 januari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2016:416 Parket bij de Hoge Raad, 1 april 2016 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.