Uitspraak · Personen- en familierecht
Hoge Raad, 4 maart 2016
ECLI:NL:HR:2016:365Zaaknummer 15/00906
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 maart 2016
- Publicatiedatum
- 4 maart 2016
- Zaaknummer
- 15/00906
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Wijziging alimentatie met terugwerkende kracht; behoedzaamheid vereist. Vaste rechtspraak Hoge Raad.
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 4 maart 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
4 maart 2016
Eerste Kamer
15/00906
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/14/143361/FA RK 13-172 van de rechtbank Noord-Holland van 15 januari 2014;
b. de beschikking in de zaak 200.145.323/01 van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2014.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 – 1.5 vermelde feiten. Voor zover thans van belang, komen deze op het volgende neer.
- i) Partijen zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is op 1 november 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 oktober 2007 in de registers van de burgerlijke stand.
- ii) Bij de echtscheidingsbeschikking is een door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 585,-- per maand, welke uitkering nadien bij beschikking van 18 juni 2008 met ingang van 1 maart 2008 op nihil is gesteld.
Voor zover in cassatie van belang, verzoekt de vrouw in dit geding de beschikking van 18 juni 2008 te wijzigen en de onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van de vrouw op € 800,-- per maand te bepalen met ingang van 9 augustus 2012.
De rechtbank heeft de beschikking van 18 juni 2008 in zoverre gewijzigd dat de man met ingang van 25 januari 2013 een bedrag van € 727,-- per maand als onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet betalen.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de vrouw alsnog afgewezen.
Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat het gehouden was om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, ambtshalve en kenbaar te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid van haar kan worden gevergd en dat het daarbij niet afhankelijk is van een daartoe strekkend verweer van de vrouw. Het hof was daartoe gehouden, aldus het onderdeel, omdat het, als gevolg van de vernietiging van de beschikking van de rechtbank, de door de rechtbank vastgestelde alimentatie heeft gewijzigd met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum (namelijk 25 januari 2013).
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225 en HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 – gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
In de bestreden beschikking heeft het hof niet kenbaar de hiervoor in 3.4 bedoelde regels toegepast. Evenmin heeft het hof kenbaar onderzocht of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel, gelet op de financiële omstandigheden van de vrouw die het hof in rov. 2.5 tot uitgangspunt heeft genomen, onvoldoende gemotiveerd.
De op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel I zijn dan ook gegrond.
De klachten van onderdeel II het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2014;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 4 maart 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2015:2275 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2026:132 Hoge Raad, 30 januari 2026 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:1255 Parket bij de Hoge Raad, 14 november 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2715 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 oktober 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4126 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 december 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3490 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 november 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4832 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 juli 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:553 Rechtbank Amsterdam, 6 februari 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3257 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 oktober 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:649 Gerechtshof Den Haag, 5 april 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:11 Gerechtshof Den Haag, 11 januari 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 augustus 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1624 Gerechtshof Den Haag, 24 augustus 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:212 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 januari 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3555 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 november 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5039 Rechtbank Noord-Nederland, 23 november 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2600 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 augustus 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1965 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 juni 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:4446 Rechtbank Limburg, 30 april 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2399 Gerechtshof Den Haag, 19 juni 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:2853 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:1452 Rechtbank Amsterdam, 6 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2500 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juni 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2204 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 mei 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:798 Gerechtshof Den Haag, 28 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:871 Hoge Raad, 12 mei 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:270 Hoge Raad, 17 februari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1193 Parket bij de Hoge Raad, 25 november 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:932 Gerechtshof Den Haag, 6 april 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:2275 Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2015 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.