Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 26 februari 2016
ECLI:NL:HR:2016:315Zaaknummer 14/05747
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 februari 2016
- Publicatiedatum
- 26 februari 2016
- Zaaknummer
- 14/05747
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Art. 8:73 Awb. Wettelijke rente bij veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vermeerdering van de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 vanaf vier weken na de openbaarmaking van ’s Hofs uitspraak op 8 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26 februari 2016
nr. 14/05747
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 oktober 2014, nrs. BK 12/00606 tot en met BK 12/00625, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. AWB 11/6214 tot en met AWB 11/6217, AWB 11/6219 tot en met AWB 11/6226, AWB 11/6228, AWB 11/6230 tot en met AWB 11/6235 en AWB 11/6237) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1992 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1993 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dat in de fase van bezwaar en beroep de redelijke termijn vanaf 23 juni 2009 is overschreden en dat aan belanghebbende een door de Inspecteur te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 moet worden toegekend. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat in hoger beroep de redelijke termijn vanaf 8 augustus 2014 is verstreken en dat aan belanghebbende een door de Staat te betalen vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 moet worden toegekend.
Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de vergoedingen van immateriële schade. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende op grond van artikel 8:73 Awb in verbinding met artikel 6:119 BW rente kan vorderen vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden.
Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vermeerdering van de vergoeding van immateriële schade met de wettelijke rente vanaf het moment dat de redelijke termijn is overschreden,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 3000 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 27 juni 2012 tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 vanaf vier weken na de openbaarmaking van ’s Hofs uitspraak op 8 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, J. Wortel en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2014:3211 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2024:744 Gerechtshof Den Haag, 28 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1436 Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1086 Gerechtshof Den Haag, 10 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12078 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3610 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8436 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3842 Gerechtshof Amsterdam, 17 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3853 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3854 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3855 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3856 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3857 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3858 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3859 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3860 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3861 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3862 Gerechtshof Amsterdam, 3 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3852 Gerechtshof Amsterdam, 27 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:787 Parket bij de Hoge Raad, 23 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3531 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:422 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:425 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:185 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:350 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:13 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:14 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2358 Hoge Raad, 21 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3477 Gerechtshof Den Haag, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3502 Gerechtshof Den Haag, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6531 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10138 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9974 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9977 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4758 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4461 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:8718 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4027 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2447 Gerechtshof Den Haag, 19 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2448 Gerechtshof Den Haag, 19 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2449 Gerechtshof Den Haag, 19 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7559 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7273 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7274 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3059 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4324 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3012 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3013 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2700 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1770 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:567 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5844 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5846 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:5848 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2017 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.