Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 29 januari 2016
ECLI:NL:HR:2016:114Zaaknummer 15/02441
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 29 januari 2016
- Publicatiedatum
- 29 januari 2016
- Zaaknummer
- 15/02441
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 6:22, artikel 7:2 en artikel 8:72, lid 3 Awb; schending hoorplicht.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt,
vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 122,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
29 januari 2016
nr. 15/02441
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2015, nr. 14/00365, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 13/4794) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van de klacht
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft tegen de hiervoor vermelde beschikking en aanslag bezwaar gemaakt. In zijn bezwaarschrift heeft hij verzocht te worden gehoord.
De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te hebben gehoord. Bij de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het standpunt van belanghebbende. Voorts is daarbij een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand verleend.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de schending van de hoorplicht in dit geval een gebrek in de naleving van de vormvoorschriften betreft, waardoor belanghebbende niet is benadeeld. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de heffingsambtenaar bij de verlaging van de waarde van de woning rekening heeft gehouden met de in bezwaar naar voren gebrachte grieven en dat belanghebbende niet heeft gesteld hoe hij door het achterwege blijven van een hoorzitting in zijn belangen is geschaad. De Rechtbank heeft de door de heffingsambtenaar nader vastgestelde waarde van de woning in stand gelaten.
De Rechtbank heeft in het vormverzuim geen aanleiding gezien om de uitspraak op bezwaar te vernietigen of een proceskostenvergoeding toe te kennen. Wel heeft de Rechtbank bepaald dat het griffierecht aan belanghebbende wordt vergoed.
Voor het Hof heeft belanghebbende gewezen op de toepassing van artikel 6:22 Awb, doch daaraan toegevoegd dat hij door het niet-horen in zijn belangen is geschaad, waardoor aan dit verzuim niet zomaar voorbij kan worden gegaan.
Het Hof heeft evenals de Rechtbank geoordeeld dat de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb is geschonden. Omdat belanghebbende in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat de zaak niet hoeft te worden teruggewezen naar het bestuursorgaan, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien, het hoger beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling in de proceskosten.
Tegen het in onderdeel 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof richt zich de klacht.
De Rechtbank heeft de door haar geconstateerde schending van artikel 7:2 Awb kennelijk met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd.
Naar uit de gedingstukken volgt verschilden de heffingsambtenaar en belanghebbende van mening omtrent de van belang zijnde feiten en omtrent de waardering daarvan bij de vaststelling van de waarde van de woning en is de heffingsambtenaar niet volledig aan belanghebbendes grieven tegemoetgekomen. In zodanig geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende niet is benadeeld door het achterwege blijven van een hoorzitting. Dat brengt mee dat de uitspraak op het bezwaar niet in stand kan worden gelaten met toepassing van artikel 6:22 Awb (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267).
Aangezien belanghebbende heeft verzocht om terugwijzing achterwege te laten, heeft het Hof zelf in de zaak voorzien. ’s Hofs beslissing dat de bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde niet te hoog is, is in cassatie niet bestreden. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, had het Hof voor dat geval wegens de schending van de hoorplicht de uitspraak op bezwaar moeten vernietigen onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven. Het Hof had in verband daarmee een vergoeding van proceskosten moeten toekennen. De klacht slaagt derhalve.
Gelet op hetgeen onder 2.6 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3 Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens het oordeel dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt,
vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de rechtsgevolgen van die uitspraak in stand blijven,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 123, en gelast dat de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 122,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1741 Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2395 Gerechtshof Den Haag, 18 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:6318 Rechtbank Amsterdam, 16 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1325 Gerechtshof Amsterdam, 25 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1327 Gerechtshof Amsterdam, 14 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3196 Gerechtshof Amsterdam, 14 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5916 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:2875 Rechtbank Noord-Holland, 30 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:6292 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7246 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1677 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:642 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6605 Rechtbank Oost-Brabant, 14 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2999 Gerechtshof Amsterdam, 13 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:547 Gerechtshof Den Haag, 20 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2306 Hoge Raad, 14 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10448 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3643 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2858 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1617 Rechtbank Gelderland, 11 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:981 Gerechtshof Amsterdam, 22 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:7357 Rechtbank Rotterdam, 16 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3519 Gerechtshof Amsterdam, 23 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3796 Gerechtshof Den Haag, 19 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2017:9775 Rechtbank Limburg, 29 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4268 Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3840 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3841 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:4376 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2017:6530 Rechtbank Limburg, 6 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5155 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2590 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2505 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 2 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1787 Gerechtshof Amsterdam, 9 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1788 Gerechtshof Amsterdam, 9 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1260 Gerechtshof Den Haag, 2 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1261 Gerechtshof Den Haag, 2 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1267 Gerechtshof Den Haag, 2 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1268 Gerechtshof Den Haag, 2 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1783 Gerechtshof Amsterdam, 25 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:3289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 april 2017 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:1977 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2187 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:762 Gerechtshof Den Haag, 3 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2016:412 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20 december 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2016:9399 Rechtbank Rotterdam, 7 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4369 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2016:219 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 15 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4548 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2099 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4076 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4077 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4078 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4079 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:4080 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1704 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:784 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 4 maart 2016 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.