Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 14 augustus 2015
ECLI:NL:HR:2015:2163Zaaknummer 14/02491
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2015
- Publicatiedatum
- 14 augustus 2015
- Zaaknummer
- 14/02491
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 16, lid 3, AWR. Zorgvuldigheidsbeginsel. Binnen vijfjaarstermijn opgelegde navorderingsaanslag vervalt niet als Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
14 augustus 2015
nr. 14/02491
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 maart 2014, nr. 13/00267, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Nederland (nr. AWB 12/1315) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2006 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.
2 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 2006.
Belanghebbende heeft een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ingezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn neergelegd in een rapport dat de Inspecteur op 23 november 2009 heeft ontvangen.
De navorderingsaanslag IB/PVV 2006 is met dagtekening 16 april 2011 opgelegd.
Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is tot vernietiging van de navorderingsaanslag wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat een inspecteur op grond van nationaal (ongeschreven) recht een aanslag binnen een redelijke termijn dient op te leggen op straffe van vernietiging van die aanslag.
De onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd binnen de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 16, lid 3, AWR. Uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling is af te leiden dat in een geval waarin de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt binnen de daarin gestelde termijn, maar niet zo voortvarend als mogelijk is, dit tot verval van de navorderingsbevoegdheid leidt. Het zorgvuldigheidbeginsel leidt evenmin tot die gevolgtrekking. Het middel faalt derhalve.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARL:2014:2583 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2134 Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:715 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:716 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:428 Gerechtshof Amsterdam, 3 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6992 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:6894 Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6632 Rechtbank Gelderland, 1 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8544 Rechtbank Noord-Holland, 4 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3759 Rechtbank Gelderland, 19 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2187 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4319 Rechtbank Noord-Nederland, 14 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:9564 Rechtbank Noord-Holland, 24 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2761 Gerechtshof Amsterdam, 31 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1992 Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6182 Rechtbank Noord-Nederland, 22 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6183 Rechtbank Noord-Nederland, 22 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:8747 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2015:13628 Rechtbank Den Haag, 17 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2015:7169 Rechtbank Noord-Holland, 26 augustus 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:2583 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 maart 2014 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.