Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 12 juni 2015
ECLI:NL:HR:2015:1602Zaaknummer 15/00167
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 juni 2015
- Publicatiedatum
- 12 juni 2015
- Zaaknummer
- 15/00167
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Incidentele vordering tot voeging in cassatie (art. 217 Rv). Belang (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206). Nadelige gevolgen van de uitkomst van de procedure waarin men zich voegt. Is mogelijke precedentwerking een voldoende belang?
De Hoge Raad:
wijst de vordering af;
veroordeelt Alstom c.s. in de kosten van het incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van TenneT c.s. begroot op € 800,-- aan salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 juni 2015.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
12 juni 2015
Eerste Kamer
nr. 15/00167
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest in het incident
inzake:
De rechtspersonen naar vreemd recht
1. ALSTOM, gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,
2. ALSTOM GRID S.A.S., gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk,
3. COGELEX, gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk,
4. ALSTOM HOLDINGS, gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk,
EISERESSEN tot voeging,
advocaat: mr. K. Aantjes,
in de zaak van:
1. TENNET TSO B.V., gevestigd te Arnhem,
2. SARANNE B.V.,gevestigd te Arnhem,
EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het incidenteel cassatieberoep, verweersters in het incident,
advocaat: mr. M. Ynzonides,
t e g e n
1. ABB B.V.,gevestigd te Rotterdam,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht ABB LTD.,gevestigd te Zürich, Zwitserland,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het incidenteel cassatieberoep, verweersters in het incident,
advocaat: mr. F.E. Vermeulen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als TenneT c.s. en ABB c.s. en eiseressen tot voeging als Alstom c.s.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 208812 / HA ZA 10-2411 van de rechtbank Arnhem van 26 oktober 2011, 29 februari 2012, 16 mei 2012 en 1 augustus 2012 en het vonnis in die zaak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 16 januari 2013;
b. de arresten in de zaak 200.126.185 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2013 en 2 september 2014.
Het arrest van het hof van 2 september 2014 is aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het hof hebben Tennet c.s. beroep in cassatie ingesteld.
Alstom c.s. hebben bij incidentele conclusie van 6 februari 2015 gevorderd zich in het geding in cassatie tussen partijen aan de zijde van ABB c.s. te mogen voegen.
TenneT c.s. hebben op 20 februari 2015 geconcludeerd tot niet-ontvankeljkverklaring althans afwijzing van de incidentele vordering tot voeging, en tot veroordeling van Alstom c.s. in de kosten van het incident.
ABB c.s. zijn op 20 februari 2015 in het geding verschenen. Zij hebben in de hoofdzaak geconcludeerd tot verwerping van het principaal cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld. Op 6 maart 2015 hebben ABB c.s. voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot voeging.
TenneT c.s. hebben op 17 april 2015 geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.
De cassatiedagvaarding en de incidentele conclusie tot voeging zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot afwijzing van de incidentele vordering tot voeging.
De advocaat van Alstom c.s. heeft bij brief van 17 april 2015 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van de incidentele vordering tot voeging
Alstom c.s. vorderen zich in dit geding in cassatie te mogen voegen aan de zijde van ABB c.s. Zij stellen belang te hebben bij de voeging omdat tussen hen en TenneT c.s. een procedure aanhangig is met eenzelfde inzet als de onderhavige procedure tussen TenneT c.s. en ABB c.s. In beide procedures hebben TenneT c.s. schadevergoedingsvorderingen ingesteld naar aanleiding van de beschikking van de Europese Commissie van 24 januari 2007, waarbij is vastgesteld dat onder meer ABB c.s. en Alstom c.s. zich met betrekking tot de levering van gasgeïsoleerd schakelmateriaal hebben schuldig gemaakt aan een inbreuk op, kort gezegd, het kartelverbod. De procedures hebben betrekking op verschillende, niet met elkaar verband houdende projecten, maar in beide procedures verweren ABB c.s. onderscheidenlijk Alstom c.s. zich tegen de vordering van TenneT c.s. onder meer met een beroep op het zogenoemde doorberekeningsverweer. Het cassatieberoep van TenneT c.s. stelt verschillende overwegingen van het hof omtrent dat verweer aan de orde, zodat de uitspraak van de Hoge Raad over dat beroep volgens Alstom c.s. bepalend kan zijn voor de uitkomst van de tegen hen door TenneT c.s. aangespannen procedure.
Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, rov. 5.3). Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. In de mogelijke precedentwerking van die uitspraak is dus niet reeds een voldoende belang gelegen, ook niet indien sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen.
Het door Alstom c.s. gestelde belang heeft uitsluitend betrekking op de precedentwerking van het arrest in deze zaak. De vordering moet dus worden afgewezen.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
wijst de vordering af;
veroordeelt Alstom c.s. in de kosten van het incident, tot op deze uitspraak aan de zijde van TenneT c.s. begroot op € 800,-- aan salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 juni 2015.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2015:413 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARL:2013:6653 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:GHARL:2014:6766 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16611 Rechtbank Den Haag, 5 september 2025 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16210 Rechtbank Den Haag, 18 oktober 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6994 Rechtbank Amsterdam, 4 mei 2022 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:154 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 1 juni 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:5174 Rechtbank Amsterdam, 3 maart 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2020:189 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2020:191 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 28 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3560 Gerechtshof Den Haag, 18 december 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4454 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 mei 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:1667 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3939 Gerechtshof Den Haag, 19 december 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5673 Rechtbank Noord-Holland, 11 juli 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:3565 Rechtbank Rotterdam, 19 april 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2017:306 Hoge Raad, 24 februari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:1483 Hoge Raad, 8 juli 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2502 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juni 2016 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1858 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 mei 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:2022 Rechtbank Gelderland, 23 maart 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2015:2534 Hoge Raad, 11 september 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2015:1131 Parket bij de Hoge Raad, 10 juli 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2015:413 Parket bij de Hoge Raad, 3 april 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:6766 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 september 2014 (mededingingsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2013:6653 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2013 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.