Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 22 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:959Zaaknummer 12/04074
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 april 2014
- Publicatiedatum
- 23 april 2014
- Zaaknummer
- 12/04074
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Toewijzing vordering b.p. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij door het bewezenverkaarde misdrijf heeft verworven, miskent het dat het hier niet gaat om de toepassing van art. 36e Sr, maar om de toepassing van art. 36f Sr.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
22 april 2014
Strafkamer
nr. 12/04074
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juni 2012, nummer 22/006591-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt onder meer dat het Hof de vordering van de benadeelde partij, voor zover het de gevorderde schade met betrekking tot het weggenomen geld betreft, ten onrechte geheel heeft toegewezen, althans die toewijzing onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 19 mei 2008 tot en met 24 september 2008, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (te weten vijfennegentighonderd euro) (toebehorende aan [betrokkene 1]), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf."
De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 27.371,24.
In eerste aanleg is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 27.000,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij is op 2 december 2010 overleden. Namens haar heeft [betrokkene 2] de in eerste aanleg ingediende vordering middels een zogenoemd wensenformulier d.d. 31 januari 2012 gehandhaafd. De vordering is derhalve in zijn geheel aan de orde in hoger beroep.
(...)
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
(...)
De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het gepleegde feit en de geleden schade om te kunnen aannemen dat rechtstreeks schade is geleden. In casu gaat het om het verband tussen de witwashandeling en de door de rechthebbende op het witgewassen goed geleden schade.
In onderhavige zaak staan het witwassen en de op diezelfde dag gepleegde diefstal van het geldbedrag - mede gelet op de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] - naar het oordeel van het hof in zodanig nauw verband tot elkaar dat het door de verdachte gepleegde witwassen rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt.
De benadeelde partij heeft allereerst verzocht om vergoeding van het weggenomen geldbedrag. Er is € 30.000,00 afgeschreven van de rekening van de benadeelde partij. Hiervan is - blijkens het voegingsformulier - € 3.000,00 vergoed, zodat de schadepost met betrekking tot het weggenomen geld € 27.000,00 bedraagt. Aannemelijk is geworden dat deze schade is geleden. Ondanks het feit dat de verdachte uiteindelijk slechts een gedeelte van het bedrag, te weten € 9.500,00, heeft verworven, kan de verdachte naar het oordeel van het hof verantwoordelijk worden gesteld voor de verdwijning van het gehele bedrag. Op basis van het dossier kan immers worden vastgesteld dat de verdachte onmiddellijk kon beschikken over een geldbedrag van € 30.000,00 dat op illegale wijze was afgeschreven van de rekening van [betrokkene 1] en op dezelfde dag werd doorgesluisd. Dat niet het gehele bedrag bij de verdachte terecht is gekomen is slechts het gevolg van het feit dat de verdachte een ander als katvanger heeft gebruikt. De vordering tot vergoeding van de schade die is vermeld in de schadepost met betrekking tot het weggenomen geld ad € 27.000,00 zal derhalve worden toegewezen.
(...)
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zijn geheel worden toegewezen.
(...)
Beslissing
(...)
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [betrokkene 2] (gemachtigde van de inmiddels overleden benadeelde partij [betrokkene 1]) ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 27.371,24 (zevenentwintigduizend driehonderdeenenzeventig euro en vierentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij."
Voor zover het middel bedoelt te klagen dat de verdachte tot geen hogere schadevergoeding is gehouden dan tot het bedrag dat hij door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verworven, miskent het dat het hier niet gaat om de toepassing van art. 36e Sr, maar om de toepassing van art. 36f Sr. Ook overigens faalt het middel, nu het oordeel van het Hof niet blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de concrete omstandigheden van het geval bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen (in dit geval: witwassen van € 9.500,-) en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen aannemen dat deze door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden, terwijl het Hof in dit verband onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte kon beschikken over een geldbedrag van € 30.000,- dat op illegale wijze was afgeschreven van de rekening van de benadeelde partij.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2014:311 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21704 Rechtbank Den Haag, 29 juni 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:1133 Rechtbank Limburg, 3 februari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:10097 Rechtbank Den Haag, 10 juni 2025 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4059 Rechtbank Gelderland, 21 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:341 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2024 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:342 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:343 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:3005 Gerechtshof Den Haag, 20 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5294 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 augustus 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:3171 Rechtbank Limburg, 20 april 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:538 Rechtbank Limburg, 26 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:3796 Rechtbank Limburg, 4 mei 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5665 Rechtbank Midden-Nederland, 30 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:24 Parket bij de Hoge Raad, 14 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1242 Gerechtshof Den Haag, 22 mei 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:4231 Rechtbank Den Haag, 29 april 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:2335 Hoge Raad, 18 december 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:1126 Hoge Raad, 10 juli 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2018:4300 Rechtbank Midden-Nederland, 19 januari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1 Parket bij de Hoge Raad, 9 januari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:3020 Hoge Raad, 28 november 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2576 Hoge Raad, 10 oktober 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:1125 Parket bij de Hoge Raad, 29 augustus 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1123 Hoge Raad, 20 juni 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:885 Hoge Raad, 16 mei 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:175 Hoge Raad, 7 februari 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:178 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 januari 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:959 Parket bij de Hoge Raad, 23 augustus 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:1522 Hoge Raad, 5 juli 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2014:311 Parket bij de Hoge Raad, 4 maart 2014 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.