Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 21 januari 2014
ECLI:NL:HR:2014:124Zaaknummer 12/02288
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 januari 2014
- Publicatiedatum
- 23 januari 2014
- Zaaknummer
- 12/02288
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Tussenarrest. Nu de AG bij de HR zich tot de Rb heeft gewend, hetgeen geleid heeft tot toezending van het in de conclusie genoemde p-v, behoort de raadsman van verdachte, die klaagt dat dit p-v niet ovk. art. 327 Sv is ondertekend, in de gelegenheid te worden gesteld van dit nagezonden stuk kennis te nemen teneinde zich schriftelijk daarover te kunnen uitlaten voordat op het cassatieberoep verder wordt beslist. De HR stelt een termijn van twee weken en houdt elke verdere beslissing aan.
De Hoge Raad:
bepaalt dat de raadsman van de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich binnen twee weken na de uitspraak van dit arrest schriftelijk uit te laten over voormeld door de Advocaat-Generaal aan het dossier toegevoegde stuk;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
21 januari 2014
Strafkamer
nr. 12/02288
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 17 februari 2012, nummer 21/002950-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 7 april 2009 niet overeenkomstig art. 327 Sv is ondertekend, zodat het rechtskracht mist en de inhoud daarvan niet tot het bewijs mocht worden gebezigd.
Naar aanleiding van deze klacht heeft de Advocaat-Generaal zich tot de Rechtbank gewend. Dat heeft geleid tot de toezending van het in de conclusie onder 5 genoemde proces-verbaal.
De raadsman van de verdachte behoort in de gelegenheid te worden gesteld van dit nagezonden stuk kennis te nemen teneinde zich schriftelijk daarover te kunnen uitlaten voordat op het cassatieberoep verder wordt beslist.
3 Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt dat de raadsman van de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich binnen twee weken na de uitspraak van dit arrest schriftelijk uit te laten over voormeld door de Advocaat-Generaal aan het dossier toegevoegde stuk;
houdt elke verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2013:2398 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:HR:2014:360 Hoge Raad, 18 februari 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2013:2398 Parket bij de Hoge Raad, 17 december 2013 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.