Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 12 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY8728Zaaknummer 12/04261
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 april 2013
- Publicatiedatum
- 12 april 2013
- Zaaknummer
- 12/04261
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Opzegging overeenkomst tot aanneming van werk, voor het werk verschuldigde prijs, besparingen die voor aannemer uit de opzegging voortvloeien, art. 7:764 lid 1 en 2 BW. Stelplicht en bewijslast; mededelingsplicht aannemer.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
12 april 2013
Eerste Kamer
12/04261
EE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 277775/HA ZA 09-2662 van de rechtbank Utrecht van 3 maart 2010 en 15 september 2010;
b. de arresten in de zaak 200.078.920 van het gerechtshof te Amsterdam van 22 februari 2011 (tussenarrest) en 28 februari 2012 (eindarrest).
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 25 januari 2013 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiseres] en [verweerder] c.s. hebben een overeenkomst tot aanneming van werk in de zin van art. 7:750 BW gesloten, waarbij [eiseres] zich heeft verplicht tot het verrichten van diverse werkzaamheden aan de woning van [verweerder] c.s.
(ii) Op 8 oktober 2009 hebben [verweerder] c.s. de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd.
3.2 Voor zover in cassatie van belang heeft [eiseres] gevorderd dat [verweerder] c.s. op grond van art. 7:764 lid 2 BW hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het restant van de aanneemsom, te weten € 16.731,17.
De rechtbank heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 16.131,17 (het restant van de aanneemsom verminderd met de besparingen die volgens de rechtbank voor [eiseres] uit de opzegging van de overeenkomst voortvloeiden).
3.3 Het hof heeft, in zoverre het vonnis van de rechtbank vernietigend, [verweerder] c.s. veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 7.917,74. Daartoe heeft het hof in zijn eindarrest onder meer als volgt overwogen:
"2.13 Het hof begrijpt de stellingen van [verweerder] over de overige werkzaamheden van [eiseres] in de bewuste periode aldus dat [verweerder] stelt dat [eiseres] haar werknemers op andere klussen heeft kunnen inzetten, zodat zij op de voor [verweerder] gereserveerde manuren heeft kunnen besparen. [Eiseres] stelt daartegenover dat zij per direct van de klus af is gehaald en in de periode van 8 tot 30 oktober 2009 geen andere werkzaamheden heeft weten te acquireren; daarmee is meer tijd gemoeid. Het hof stelt vast dat het inzetten van mensen op andere, reeds aangenomen klussen in beginsel geen besparing oplevert; [eiseres] had dat immers ook moeten doen als het onderhavige werk was voortgezet. Wel ligt in de rede dat [eiseres], doordat dit werk uitviel, haar andere klussen eerder dan gepland heeft kunnen afronden en zodoende weer eerder aan ander werk heeft kunnen beginnen. In ieder geval valt het op dat [eiseres] niet stelt dat haar mensen noodgedwongen hebben stil gezeten. Het hof acht dan ook aannemelijk dat [eiseres] de vrijgekomen tijd wel deels met ander werk heeft kunnen invullen, zodat zij op de door opzegging vrijgekomen arbeidstijd heeft kunnen besparen. Die vrijgekomen tijd behoeft daarom niet geheel door [verweerder] te worden vergoed. Naar redelijkheid en billijkheid oordeelt het hof dat [verweerder] de helft van de niet gewerkte arbeidsuren dient te vergoeden."
3.4.1 Middel III keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel van het hof.
3.4.2 De onderdelen 4.1 en 4.8-4.10 nemen terecht tot uitgangspunt dat art. 7:764 lid 2 BW meebrengt dat de opdrachtgever die aanvoert dat de door hem verschuldigde 'voor het gehele werk geldende prijs' dient te worden verminderd met 'de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien', stelplicht en bewijslast heeft van het bestaan en de omvang van die besparingen. In dit verband rust echter op de aannemer 'een belangrijke mededelingsplicht' (Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39).
3.4.3 Het door de onderdelen bestreden oordeel van het hof moet aldus worden verstaan dat [verweerder] c.s. aan hun stelplicht in dit verband hebben voldaan met de door het hof genoemde stelling dat [eiseres] haar werknemers op andere klussen heeft kunnen inzetten, en dat [eiseres] die stelling, gelet op de op haar rustende mededelingsplicht, onvoldoende heeft bestreden. Het hof heeft overwogen dat het inzetten van mensen op andere, reeds aangenomen klussen weliswaar in beginsel geen besparing oplevert, maar het wel mogelijk maakt om andere klussen - waarvan vaststaat dat [eiseres] die had - eerder dan gepland af te ronden en zodoende weer eerder aan ander werk te kunnen beginnen. Op grond daarvan heeft het hof aangenomen dat [eiseres] de vrijgekomen tijd wel deels met ander werk heeft kunnen invullen, zodat zij op de door opzegging vrijgekomen arbeidstijd heeft kunnen besparen. In dat verband heeft het hof in aanmerking genomen dat [eiseres] niet heeft gesteld dat haar mensen noodgedwongen hebben stil gezeten. [Eiseres] heeft dus, aldus nog steeds het hof, niet of onvoldoende aangevoerd dat zij geen arbeidstijd heeft kunnen besparen door de opzegging.
3.4.4 Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. De in de onderdelen aangehaalde stelling van [eiseres] dat zij in de periode van 8 tot 30 oktober 2009 geen andere werkzaamheden heeft weten te acquireren, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. Dat oordeel houdt immers in dat [eiseres] in (een deel van) die periode andere klussen eerder dan gepland heeft kunnen afronden en zodoende weer eerder aan ander werk heeft kunnen beginnen in een volgende periode. De in de onderdelen aangehaalde stelling van [eiseres] dat zij haar werkzaamheden maanden tevoren plant en dat zij in de betrokken periode niet met werkzaamheden heeft kunnen schuiven, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk als onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd aangemerkt. Gelet op een en ander kunnen de onderdelen niet tot cassatie leiden.
3.5 De overige klachten van de middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 12 april 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2013:BY8728 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3008 Rechtbank Gelderland, 15 april 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2025:322 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 13 oktober 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:240 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 30 september 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:9714 Rechtbank Rotterdam, 30 juli 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:5504 Rechtbank Overijssel, 22 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3224 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 oktober 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6584 Rechtbank Gelderland, 11 september 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1983 Gerechtshof Amsterdam, 16 juli 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2206 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 juli 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10681 Rechtbank Noord-Holland, 18 oktober 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10237 Rechtbank Noord-Holland, 11 oktober 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13605 Rechtbank Noord-Holland, 4 oktober 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3189 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:14098 Rechtbank Noord-Holland, 27 september 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:202 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 29 augustus 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1558 Gerechtshof Amsterdam, 4 juli 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6719 Rechtbank Amsterdam, 18 november 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:9507 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2173 Gerechtshof Den Haag, 1 november 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3640 Rechtbank Midden-Nederland, 14 september 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7282 Rechtbank Noord-Holland, 20 juli 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:6410 Rechtbank Midden-Nederland, 13 juli 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:5155 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 juni 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:8417 Rechtbank Noord-Holland, 15 september 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2021:3810 Rechtbank Gelderland, 21 juli 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:9694 Rechtbank Rotterdam, 11 december 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:10406 Rechtbank Rotterdam, 19 december 2018 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2017:73 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 25 juli 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAM:2015:29 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 3 november 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:6967 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 september 2014 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2013:BY8728 Parket bij de Hoge Raad, 12 april 2013 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.