Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 11 oktober 2013
ECLI:NL:HR:2013:840Zaaknummer 13/00924
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 11 oktober 2013
- Publicatiedatum
- 11 oktober 2013
- Zaaknummer
- 13/00924
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 8:24, lid 2, Awb. Art. 3:72 BW. Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verstrekken van door Rechtbank verlangde machtiging waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Machtiging hoeft niet per instantie te worden verleend en hoeft niet te dateren van na de bestreden uitspraak.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op de verzetten,
verklaart de verzetten gegrond,
verstaat dat de uitspraken waartegen de verzetten gericht waren vervallen en dat de Rechtbank het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond,
gelast dat de gemeente Eindhoven aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van de verzetten bij de Rechtbank, vastgesteld op € 236 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
11 oktober 2013
nr. 13/00924
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2013, nrs. AWB 12/2490 VERZET en AWB 12/2491 VERZET, op de verzetten van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch betreffende beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ).
1 Het geding in feitelijke instantie
Ten aanzien van belanghebbende zijn bij beschikkingen de waarden van de onroerende zaken [a-straat 1] en [a-straat 2] te [Z] voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld.
Na door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven (hierna: de heffingsambtenaar) bij uitspraken de beschikkingen gehandhaafd.
De Rechtbank te ’s-Hertogenbosch (nr. AWB 12/2490 en nr. AWB 12/2491) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken verzet gedaan. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak de verzetten ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank op de verzetten is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op de verzetten beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3 Beoordeling van de klacht
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 3 juli 2012 uitspraken gedaan op belanghebbendes bezwaren tegen de te zijnen aanzien gegeven beschikkingen op grond van de Wet WOZ, hiervoor vermeld onder 1. Namens belanghebbende is door [B] en [C] (hierna: [B] en [C]) tegen deze uitspraken beroep ingesteld. Daarbij is een op 23 maart 2012 ondertekende machtiging overgelegd, waarin enkele medewerkers van […], waaronder [B] en [C], worden gemachtigd om belanghebbende “zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale belastingen alsmede de daarop vermelde WOZ-beschikking”. De machtiging ziet onder andere op “het in ontvangst nemen van besluiten, al dan niet op grond van een bezwaarschrift genomen, daartegen bezwaar, (hoger) beroep of cassatie in te dienen, al dan niet bijwege van voorlopige voorziening”.
De Rechtbank heeft, kennelijk op grond van het bepaalde in artikel 8:24, lid 2, van de Awb, aan [B] en [C] een schriftelijke machtiging gevraagd die na het doen van uitspraak op bezwaar door belanghebbende is verstrekt. De Rechtbank heeft hen daarbij gewezen op de mogelijke gevolgen voor de ontvankelijkheid van de beroepen, indien aan het verzoek niet zou worden voldaan.
Aan dit verzoek van de Rechtbank is door [B] en [C], ook na rappel, niet voldaan. Om die reden heeft de Rechtbank het ervoor gehouden dat zij niet gemachtigd waren om namens belanghebbende op te treden in beroep. De beroepen zijn op die grond niet-ontvankelijk verklaard.
De daartegen gerichte verzetten berusten op het betoog dat de Rechtbank ten onrechte een nieuwe machtiging heeft verlangd die dateert van na de uitspraken op bezwaar. Daarbij heeft belanghebbende erop gewezen dat bij de beroepschriften reeds een machtiging was overgelegd waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Bij de thans in cassatie bestreden uitspraak op verzet heeft de Rechtbank dit betoog verworpen.
Hierover wordt in cassatie terecht geklaagd. Uit de hiervoor in 3.1.1 weergegeven tekst van de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C].
De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de verzetten afdoen. De verzetten dienen gegrond te worden verklaard.
4 Proceskosten
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van de verzetten bij de Rechtbank.
5 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op de verzetten,
verklaart de verzetten gegrond,
verstaat dat de uitspraken waartegen de verzetten gericht waren vervallen en dat de Rechtbank het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond,
gelast dat de gemeente Eindhoven aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van de verzetten bij de Rechtbank, vastgesteld op € 236 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7935 Rechtbank Gelderland, 14 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:7937 Rechtbank Gelderland, 14 oktober 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6269 Rechtbank Gelderland, 5 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2264 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2265 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:556 Hoge Raad, 17 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:326 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:384 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:386 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:388 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:389 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2879 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2382 Gerechtshof Den Haag, 4 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3155 Gerechtshof Amsterdam, 21 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3156 Gerechtshof Amsterdam, 21 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2234 Gerechtshof Den Haag, 16 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1700 Gerechtshof Den Haag, 10 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1807 Gerechtshof Den Haag, 10 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2229 Gerechtshof Den Haag, 10 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2323 Gerechtshof Den Haag, 28 augustus 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:652 Parket bij de Hoge Raad, 30 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:798 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1109 Gerechtshof Den Haag, 24 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1058 Gerechtshof Den Haag, 15 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:628 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:629 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:630 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:631 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:633 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:755 Gerechtshof Den Haag, 10 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:758 Gerechtshof Den Haag, 9 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:563 Gerechtshof Den Haag, 3 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:564 Gerechtshof Den Haag, 3 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:565 Gerechtshof Den Haag, 3 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:1950 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:1951 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:534 Gerechtshof Den Haag, 13 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:536 Gerechtshof Den Haag, 13 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:537 Gerechtshof Den Haag, 13 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:538 Gerechtshof Den Haag, 13 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:539 Gerechtshof Den Haag, 13 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:413 Gerechtshof Den Haag, 6 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:791 Gerechtshof Den Haag, 6 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1985 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1986 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1987 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1988 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1989 Gerechtshof Den Haag, 10 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2020:1738 Rechtbank Gelderland, 13 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1499 Gerechtshof Amsterdam, 18 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:276 Parket bij de Hoge Raad, 22 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:5010 Rechtbank Rotterdam, 26 juni 2018 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2757 Hoge Raad, 27 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:3991 Gerechtshof Amsterdam, 22 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:1148 Gerechtshof Amsterdam, 9 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:883 Gerechtshof Den Haag, 29 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2016:2025 Rechtbank Rotterdam, 21 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:6184 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10 september 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2015:2559 Rechtbank Amsterdam, 6 mei 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2014:2871 Rechtbank Overijssel, 28 mei 2014 (bestuursrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.