Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 27 september 2013
ECLI:NL:HR:2013:717Zaaknummer 12/00738
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 september 2013
- Publicatiedatum
- 27 september 2013
- Zaaknummer
- 12/00738
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Verlengde navorderingstermijn. Bewijs beboetbaar feit.
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1997 en VB 1997 en 1998, en de in de navorderingsaanslag VB 1996 begrepen verhoging,
vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur,
vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1997 en VB 1997 en 1998,
scheldt de in de navorderingsaanslag VB 1996 begrepen verhoging gedeeltelijk kwijt tot op € 58,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
27 september 2013
nr. 12/00738
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 29 december 2011, nrs. 04/01501 en 04/01588, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1 Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1997 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en over de jaren 1992 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van honderd percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
Voorts zijn aan belanghebbende over de jaren 1998 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de IB/PVV en over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd, alsmede boeten. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht.
De navorderingsaanslagen, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbeschikkingen dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen verminderd, de verhogingen VB 1996 tot en met 1998 kwijtgescholden, de boeten VB 1999 en 2000 vernietigd, de overige verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden, de overige boetebeschikkingen verminderd, en de beschikkingen inzake heffingsrente verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.
Bij brief van 25 maart 2013 heeft de Staatssecretaris het eerste en het tweede middel van zijn beroep in cassatie ingetrokken.
3 Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De onderhavige navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1997 en die in de VB over de jaren 1992 tot en met 1998 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Het Hof heeft geoordeeld dat bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1996 en 1997 alsmede die in de VB over de jaren 1997 en 1998 een vertraging is opgetreden, doch dat deze vertraging niet van dien aard is dat daarmee in strijd wordt gekomen met de eis van redelijke voortvarendheid. Tegen onder meer dit oordeel keert zich middel 7.
Blijkens de gedingstukken heeft de Inspecteur bij brief van 1 december 2003, als weergegeven in onderdeel 2.5.8 van ’s Hofs uitspraak, zijn voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 2000 en in de VB over de jaren 1992 tot en met 2000. Bij brief van 18 december 2003, als weergegeven in onderdeel 2.5.9 van ’s Hofs uitspraak, heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij over zal gaan tot het opleggen van deze navorderingsaanslagen. De navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1995 alsmede die in de VB over de jaren 1992 tot en met 1996 zijn vervolgens opgelegd met dagtekening 31 december 2003. De overige navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 juli 2004. In een brief van de Inspecteur van 25 juni 2004 is hierover vermeld:
“Bij het in behandeling nemen van uw bezwaarschriften tegen de, in de brief van 1 december 2003, aangekondigde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1991 t/m 1995 en vermogensbelasting 1992 t/m 1996 is gebleken dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 1996 t/m 2000 en vermogensbelasting 1997 t/m 2000, welke eveneens in de brief van 1 december 2003 werden aangekondigd, tot op heden niet werden opgemaakt en toegezonden. Derhalve ontvangt u hierbij, met excuses voor de late toezending, alsnog de reeds aangekondigde navorderingsaanslagen. (…)”
De hiervoor in onderdeel 3.1.2 vermelde feiten en omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de Inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1996 en 1997 en in de VB over de jaren 1997 en 1998, waarbij een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden, niet de vereiste voortvarendheid in acht heeft genomen. Het middel slaagt derhalve in zoverre.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
Het Hof heeft in onderdeel 4.9 van zijn uitspraak geoordeeld dat op grond van de verklaring van de advocaat van belanghebbende voor het bewijs van de boete tot uitgangspunt moet worden genomen dat het saldo op zijn rekening bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: de rekening) jaarlijks met 10 percent stijgt en dat uit dit saldo een rendement wordt getrokken van 6 percent per jaar, voor alle aanslagen IB/PVV het bewijs van het beboetbare feit is geleverd. Rekening houdend met de aftrek van belasting en heffingsrente uit hoofde van aanslagen over eerdere jaren is wat de VB betreft alleen voor de in de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1992 tot en met 1995 begrepen verhogingen het bewijs van het beboetbare feit geleverd, aldus nog steeds het Hof. Hiertegen richt zich het middel van de Staatssecretaris met het betoog dat het Hof ten onrechte de in de navorderingsaanslag in de VB over het jaar 1996 begrepen verhoging heeft kwijtgescholden omdat het vereiste boetebewijs niet zou zijn geleverd.
Het middel slaagt. Zoals in de toelichting op het middel terecht wordt betoogd, bedraagt het saldo op de rekening per 1 januari 1996 volgens de door het Hof gehanteerde berekeningswijze ƒ 128.944. Aangezien de over de jaren 1991 tot en met 1995 verschuldigde belasting en heffingsrente volgens de opstelling in onderdeel 4.8 van ’s Hofs uitspraak in totaal ƒ 112.713 bedragen, resteert een belastbare som van ƒ 16.231. Deze berekening is in cassatie niet bestreden. Het Hof is derhalve ten aanzien van de in de navorderingsaanslag in de VB over het jaar 1996 begrepen verhoging ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het bewijs van het beboetbare feit niet geleverd is.
5 Slotsom
Gelet op het hiervoor in de onderdelen 3.1 en 4.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 1996 en 1997 en in de VB over de jaren 1997 en 1998 dienen te worden vernietigd. De in de navorderingsaanslag in de VB over het jaar 1996 begrepen verhoging dient, overeenkomstig hetgeen het Hof overigens heeft overwogen, gedeeltelijk te worden kwijtgescholden tot een bedrag van (ƒ 8 x 16 =) ƒ 128 (= € 58).
6 Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof uitsluitend wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1997 en VB 1997 en 1998, en de in de navorderingsaanslag VB 1996 begrepen verhoging,
vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken van de Inspecteur,
vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 1997 en VB 1997 en 1998,
scheldt de in de navorderingsaanslag VB 1996 begrepen verhoging gedeeltelijk kwijt tot op € 58,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 112, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1888 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, C. Schaap, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2574 Gerechtshof Amsterdam, 21 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:715 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:716 Gerechtshof Den Haag, 16 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:428 Gerechtshof Amsterdam, 3 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13856 Rechtbank Noord-Holland, 27 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2635 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8544 Rechtbank Noord-Holland, 4 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:1502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:20 Gerechtshof Den Haag, 12 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3954 Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4524 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13269 Rechtbank Den Haag, 24 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:9307 Rechtbank Noord-Holland, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:3875 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5349 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4319 Rechtbank Noord-Nederland, 14 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2601 Hoge Raad, 13 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2602 Hoge Raad, 13 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1963 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1965 Gerechtshof Den Haag, 28 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:220 Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:86 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:784 Gerechtshof Amsterdam, 3 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:7087 Rechtbank Gelderland, 29 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3847 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3853 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3854 Gerechtshof Den Haag, 30 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9617 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:8039 Rechtbank Noord-Holland, 30 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2409 Gerechtshof Amsterdam, 23 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:2420 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juni 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4149 Gerechtshof Amsterdam, 28 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2016:2908 Rechtbank Noord-Holland, 31 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2016:17177 Rechtbank Den Haag, 10 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1026 Gerechtshof Amsterdam, 3 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:442 Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6182 Rechtbank Noord-Nederland, 22 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:8747 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4747 Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:4042 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3529 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2015:5532 Rechtbank Gelderland, 10 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3284 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 augustus 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2011 Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:3293 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 mei 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:1105 Hoge Raad, 1 mei 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2015:3256 Rechtbank Noord-Holland, 22 april 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:2323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:977 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:1781 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:389 Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:709 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 februari 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:383 Gerechtshof Den Haag, 28 januari 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:10244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5411 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2014:2728 Parket bij de Hoge Raad, 19 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5250 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5254 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2014:3816 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2014 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.