Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 9 augustus 2013
ECLI:NL:HR:2013:199Zaaknummer 12/06009
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2013
- Publicatiedatum
- 9 augustus 2013
- Zaaknummer
- 12/06009
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 8:73 Awb; vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding redelijke termijn bezwaarfase.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2000, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
9 augustus 2013
nr. 12/06009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 november 2012, nr. 12/00427, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1 Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd. Tevens is een boete opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd en de boetebeschikking is daarbij vernietigd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 08/2296) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Dit Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verder verminderd en de beschikking inzake heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.
2 Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (nr. 10/00503) is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/03864, ECLI:NL:HR:2012:BX0914, BNB 2012/267, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1500. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3 Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4 Beoordeling van de klachten
Bij het hiervoor onder 2 genoemde arrest van 13 juli 2012 (hierna: het verwijzingsarrest) heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar het Hof voor beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de redelijke termijn in de bezwaarfase is overschreden, en voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, dan een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend.
Het Hof heeft geoordeeld dat de bezwaarfase en de beroepsfase in totaal ruim vier jaar en zeven maanden in beslag hebben genomen, zodat de redelijke termijn met ruim twee jaar en zeven maanden is overschreden. Gelet op het verwijzingsarrest heeft het Hof vervolgens alleen geoordeeld in hoeverre de immateriële schade is veroorzaakt door vertraging in de bezwaarfase die is toe te rekenen aan de Inspecteur. Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna één jaar en zes maanden is overschreden. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat de bezwaarfase bijna twee jaar en zes maanden in beslag heeft genomen en dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar één jaar bedraagt.
Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, BNB 2013/152, heeft in belastingzaken waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Dat heeft ook te gelden in een geval als het onderhavige, waarin de inspecteur op grond van artikel 25, lid 1, AWR (tekst tot 2008) verplicht was om binnen een jaar na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak daarop te doen.
Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden. Daarbij moet met name worden gedacht aan bijzondere omstandigheden als bedoeld in onderdeel 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337.
De Inspecteur heeft voor het Hof geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een langere termijn dan een half jaar voor het doen van uitspraak op bezwaar rechtvaardigen. Voor zover de klachten betrekking hebben op de duur van de redelijke termijn in de bezwaarfase zijn zij derhalve gegrond.
Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de redelijke termijn in de bezwaarfase met bijna twee jaar is overschreden. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Aan belanghebbende dient daarom een schadevergoeding te worden toegekend van 4 x € 500 = € 2000.
5 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2000, en
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 115.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARN:2012:BY4684 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2023:5062 Rechtbank Midden-Nederland, 29 augustus 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7615 Rechtbank Noord-Holland, 9 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:44 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 10 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:416 Gerechtshof Amsterdam, 7 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:7919 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5269 Rechtbank Noord-Holland, 10 juni 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1669 Gerechtshof Amsterdam, 24 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1643 Gerechtshof Amsterdam, 10 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1290 Gerechtshof Amsterdam, 5 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1291 Gerechtshof Amsterdam, 5 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4960 Rechtbank Noord-Holland, 17 maart 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:1688 Rechtbank Noord-Holland, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4390 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3140 Gerechtshof Amsterdam, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3145 Gerechtshof Amsterdam, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12726 Rechtbank Noord-Holland, 3 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12727 Rechtbank Noord-Holland, 3 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12728 Rechtbank Noord-Holland, 3 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:3375 Rechtbank Midden-Nederland, 23 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12724 Rechtbank Noord-Holland, 8 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12118 Rechtbank Noord-Holland, 28 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4606 Rechtbank Noord-Holland, 26 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1704 Rechtbank Noord-Holland, 18 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:80 Parket bij de Hoge Raad, 28 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8670 Rechtbank Noord-Holland, 28 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8671 Rechtbank Noord-Holland, 28 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8672 Rechtbank Noord-Holland, 28 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:8673 Rechtbank Noord-Holland, 28 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7491 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9046 Rechtbank Noord-Holland, 10 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9047 Rechtbank Noord-Holland, 10 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9052 Rechtbank Noord-Holland, 8 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9058 Rechtbank Noord-Holland, 8 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6882 Rechtbank Noord-Holland, 4 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6346 Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6364 Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7478 Rechtbank Noord-Holland, 19 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6157 Rechtbank Noord-Holland, 12 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6162 Rechtbank Noord-Holland, 12 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6165 Rechtbank Noord-Holland, 12 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6168 Rechtbank Noord-Holland, 12 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7474 Rechtbank Noord-Holland, 10 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:7476 Rechtbank Noord-Holland, 10 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6036 Rechtbank Noord-Holland, 7 augustus 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:5720 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5442 Rechtbank Noord-Holland, 9 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5445 Rechtbank Noord-Holland, 9 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5438 Rechtbank Noord-Holland, 2 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:4523 Rechtbank Noord-Holland, 24 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:5953 Rechtbank Noord-Holland, 23 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:4333 Rechtbank Noord-Holland, 12 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3952 Rechtbank Noord-Holland, 29 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3953 Rechtbank Noord-Holland, 29 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4168 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3262 Rechtbank Noord-Holland, 4 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2572 Rechtbank Noord-Holland, 14 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2586 Rechtbank Noord-Holland, 14 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:2744 Rechtbank Noord-Holland, 9 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:993 Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:994 Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2020 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.