Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 1 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1078Zaaknummer 12/04137
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 1 november 2013
- Publicatiedatum
- 1 november 2013
- Zaaknummer
- 12/04137
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Splitsing in appartementsrechten. Uitleg tegenstrijdige akte van splitsing en splitsingstekening. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5223, NJ 2011/58 en HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111. Mag rechter acht slaan op stukken die niet zijn ingeschreven in openbare registers? Moet in beginsel beslissende betekenis worden toegekend aan splitsingstekening?
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof te Amsterdam van 31 januari 2012 en 26 juni 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de VvE in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 360,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 november 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
1 november 2013
Eerste Kamer
nr. 12/04137
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],wonende te [woonplaats],
2. [eiseres 2],wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. D.M. de Knijff,
t e g e n
de vereniging VERENIGING VAN EIGENAREN GEBOUW "DE PRINSENWERF",gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en de VvE.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak EA 11-738 van de kantonrechter te Amsterdam van 21 juli 2011;
b. de beschikkingen in de zaak 200.092.489/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 31 januari 2012 en 26 juni 2012.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De VvE heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.
De advocaat van de VvE heeft bij brief van 9 juli 2013 op die conclusie gereageerd.
3 Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [eisers] zijn eigenaren van een appartementsrecht dat deel uitmaakt van het in zes appartementsrechten gesplitste gebouw, plaatselijk bekend [a-straat 1 A t/m F], gelegen op de locatie van een voormalige scheepswerf te [plaats].
(ii) De notariële akte van splitsing van 18 december 2002, waarbij de VvE is opgericht, bepaalt onder andere:
“B. Voorgenomen splitsing in appartementsrechten.
Splitsingstekening.
De gerechtigde wenst over te gaan tot de splitsing van het gebouw met de daarbij behorende grond in appartementsrechten (…). Aan deze akte is daartoe een uit één (1) blad bestaande tekening als bedoeld in artikel 5:109 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek gehecht. Op die tekening zijn met de cijfers 1 tot en met 6 de gedeelten van het gebouw met aanbehoren aangegeven die bestemd zullen zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. (…)
(…)
D. Omschrijving appartementsrechten.
Het gebouw met de daarbij behorende grond zal worden gesplitst in de volgende appartementsrechten:
(…)
3. Het appartementsrecht omvattende het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte, gelegen in de kelder, op de begane grond en op de eerste verdieping van het gebouw, plaatselijk bekend [a-straat 1 C] te Amsterdam (…);
(…)”
(iii) De aan de splitsingsakte gehechte splitsingstekening toont drie plattegronden, aangeduid als “kelder”, “begane grond” en “eerste verdieping”. Ieder van die plattegronden bestaat uit lijnen waarvan de meeste dik zijn en enkele dun. Op ieder van die plattegronden zijn de cijfers 1 tot en met 6 ingetekend.
(iv) Het toepasselijke modelreglement bepaalt onder andere:
“Artikel 9
1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig:
a. (…) de vloeren met uitzondering van de afwerklagen in de privé gedeelten, de buitengevels (…), (…) de deuren welke zich in de buitengevel bevinden of de scheiding vormen tussen het gemeenschappelijk en het privé gedeelte, (…) de terrassen en de gangen, de daken, (…) het hek- en traliewerk voor zover het geen privé tuinafscheidingen betreft, (…).
(…)
2. Het is een eigenaar of gebruiker zonder toestemming van de vergadering niet toegestaan veranderingen aan te brengen in de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken, ook als deze zich in de privé gedeelten bevinden.
Artikel 10
Indien er twijfel bestaat of een gedeelte van het gebouw of een zaak al dan niet tot de gemeenschappelijke gedeelten en/of de gemeenschappelijke zaken behoort, wordt hierover beslist door de vergadering.”
(v) Op 19 april 2011 heeft de vergadering van de VvE besloten dat de daken van de waterkamers, de loopbruggen naar de daken van de waterkamers en de steiger als gemeenschappelijke ruimtes worden aangemerkt. Voorts heeft de vergadering besloten om [eisers] geen toestemming te verlenen voor het aanbrengen van wijzigingen aan het dak en voor het aanleggen van zwevende vlonders met terrasfunctie op het dak van de waterkamer.
[eisers] hebben, voor zover in cassatie nog van belang, verzocht de besluiten van de vergadering van de VvE te vernietigen of nietig te verklaren.
De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. In het door [eisers] ingestelde hoger beroep heeft het hof in zijn tussenbeschikking eerst onderzocht of (a) het entreegebied, (b) de loopbrug, en (c) de ruimte boven het dak van de waterkamer gemeenschappelijk zijn. Daartoe heeft het hof, kort samengevat, het volgende overwogen. Bepalend is hetgeen is vastgelegd in de splitsingsstukken. Bij de uitleg van die stukken komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in die stukken opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte uit te leggen tekstuele omschrijving van de gedeelten en intekening van de gedeelten, waarbij de tekstuele omschrijving en de intekening in samenhang moeten worden beschouwd. (rov. 2.7) De bewoordingen van de splitsingsakte vormen een aanwijzing dat de gedeelten (a), (b) en (c) gemeenschappelijk zijn, terwijl de tekening een aanwijzing vormt dat deze gedeelten niet gemeenschappelijk zijn (rov. 2.8). Daarom kan acht worden geslagen op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende interpretaties zouden leiden. Daarbij zijn de opzet en indeling van het gebouw van belang, zoals die ten tijde van de totstandkoming van de splitsingsstukken moeten hebben bestaan of met de splitsing beoogd moeten zijn. Hierbij moeten andere stukken te hulp worden geroepen, maar daarbij kan uitsluitend worden gelet op toen bestaande geschriften en beeldmateriaal, die (i) voor derden voldoende toegankelijk zijn en waarvan (ii) in voldoende mate voor de hand ligt dat derden die dienen te raadplegen in gevallen waarin verschillende interpretaties van de splitsingsstukken mogelijk zijn. (rov. 2.9) Op basis van ontwerptekeningen van de architect, de bouwaanvraag en de bouwvergunning met bijlagen oordeelt het hof dat de gedeelten (a), (b) en (c) gemeenschappelijk zijn (rov. 2.10). Het besluit van de VvE heeft daarom geen rechtsgevolg gehad, zodat geen belang bestaat bij vernietiging of nietigverklaring (rov. 2.12). In zijn eindbeschikking heeft het hof geoordeeld dat ook de steiger (d) gemeenschappelijk is, en heeft het de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.
Voor zover de VvE heeft betoogd dat [eisers] geen belang hebben bij hun cassatieberoep, faalt dat betoog op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.10 – 2.13.
Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof in rov. 2.9 en 2.10 van zijn tussenbeschikking is uitgegaan van een onjuiste maatstaf door bij de beantwoording van de vraag of gedeelten van het gebouw al dan niet voor afzonderlijk gebruik zijn bestemd, mede acht te slaan op andere stukken dan de splitsingsstukken.
Het onderdeel slaagt. Het hof heeft in rov. 2.7 van zijn tussenbeschikking terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de vaststelling van het recht tot uitsluitend gebruik van een gedeelte van een in appartementsrechten gesplitst registergoed bepalend is hetgeen daaromtrent is vastgelegd in de op die splitsing betrekking hebbende splitsingsstukken (de notariële akte van splitsing en de aan de minuut van die akte gehechte tekening) (vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5223, NJ 2011/58), en dat het bij de uitleg daarvan aankomt op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de onderscheiden gedeelten van het gebouw en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening (vgl. HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111). De rechtszekerheid vergt dat voor de vaststelling van hetgeen tot de privégedeelten respectievelijk tot de gemeenschappelijke gedeelten behoort, slechts acht mag worden geslagen op de gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn. Het hof heeft dan ook van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door voor zijn oordeel welke gedeelten gemeenschappelijk zijn, mede betekenis toe te kennen aan andere dan in de openbare registers ingeschreven stukken, waarnaar niet in de splitsingsstukken wordt verwezen.
Onderdeel 2.2 strekt ten betoge dat, indien zich een tegenstrijdigheid aandient tussen de splitsingstekening en de omschrijving in de splitsingsakte van de onderscheiden gedeelten van het gebouw, aan de splitsingstekening in beginsel beslissende betekenis moet worden toegekend.
Indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is. In geval van tegenstrijdigheid tussen de akte van splitsing en de splitsingstekening kan niet op voorhand ervan worden uitgegaan dat hetzij de akte van splitsing, hetzij de splitsingstekening de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan juist weergeeft. De rechter zal aan de hand van de aan de splitsingsstukken te ontlenen aanwijzingen – waaronder de mate van gedetailleerdheid waarin de desbetreffende gedeelten zijn omschreven in de tekst van de akte onderscheidenlijk zijn weergegeven in de splitsingstekening, en hetgeen overigens uit de splitsingsstukken valt af te leiden omtrent de bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan – en gelet op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden interpretaties zouden leiden, moeten bepalen of doorslaggevend gewicht toekomt aan de akte van splitsing dan wel aan de splitsingstekening. Onjuist is derhalve dat in beginsel beslissende betekenis moet worden toegekend aan hetgeen kan worden afgeleid uit de splitsingstekening. Het onderdeel faalt.
De overige onderdelen behoeven geen behandeling.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikkingen van het gerechtshof te Amsterdam van 31 januari 2012 en 26 juni 2012;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de VvE in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 360,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 1 november 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2013:41 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8889 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:GHAMS:2012:BX6264 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBAMS:2026:4231 Rechtbank Amsterdam, 29 april 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:72 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 april 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:2513 Rechtbank Gelderland, 18 maart 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10854 Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4828 Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2788 Gerechtshof Amsterdam, 21 oktober 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:2417 Rechtbank Amsterdam, 9 april 2025 (goederenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:825 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 maart 2025 (goederenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3091 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2761 Gerechtshof Amsterdam, 1 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:561 Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:66 Rechtbank Noord-Holland, 15 januari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:11778 Rechtbank Noord-Holland, 22 november 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:6884 Rechtbank Rotterdam, 19 juli 2023 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5431 Rechtbank Amsterdam, 10 mei 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6561 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:6197 Rechtbank Amsterdam, 6 oktober 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:8321 Rechtbank Rotterdam, 5 oktober 2022 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:4288 Rechtbank Amsterdam, 27 juli 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:3396 Rechtbank Gelderland, 29 juni 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1350 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 april 2022 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1735 Rechtbank Amsterdam, 5 april 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1763 Rechtbank Amsterdam, 31 maart 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1595 Rechtbank Amsterdam, 29 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2022:251 Parket bij de Hoge Raad, 18 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7487 Rechtbank Amsterdam, 22 december 2021 (goederenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3779 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2021 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:12178 Rechtbank Rotterdam, 10 december 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2021:10750 Rechtbank Den Haag, 22 september 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:3213 Rechtbank Amsterdam, 23 juni 2021 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2364 Rechtbank Midden-Nederland, 4 juni 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9599 Rechtbank Limburg, 2 december 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:11974 Rechtbank Den Haag, 24 november 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4851 Rechtbank Amsterdam, 7 oktober 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2020:4843 Rechtbank Gelderland, 21 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2267 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:3132 Rechtbank Amsterdam, 24 juni 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:6218 Rechtbank Gelderland, 20 november 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:6710 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3422 Gerechtshof Den Haag, 23 juli 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:4528 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2019:787 Rechtbank Overijssel, 13 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:8983 Rechtbank Amsterdam, 12 december 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:8705 Rechtbank Amsterdam, 21 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:9520 Rechtbank Rotterdam, 2 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:6805 Rechtbank Amsterdam, 21 september 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7317 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:5751 Rechtbank Amsterdam, 8 augustus 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1007 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:3757 Rechtbank Amsterdam, 28 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:760 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:1612 Rechtbank Rotterdam, 21 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:9204 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 oktober 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6469 Rechtbank Rotterdam, 26 juli 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:5901 Rechtbank Rotterdam, 19 juli 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:2407 Rechtbank Noord-Holland, 29 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:2408 Rechtbank Noord-Holland, 29 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2419 Rechtbank Gelderland, 22 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:1672 Rechtbank Rotterdam, 22 februari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:814 Rechtbank Rotterdam, 25 januari 2017 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.