Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 29 juni 2012
ECLI:NL:HR:2012:BW1519Zaaknummer 11/01141
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 29 juni 2012
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/01141
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 6:166 BW; groepsaansprakelijkheid wegens geweldpleging. Causaal verband. Schade die voor vergoeding in aanmerking komt, art. 6:106 lid 1 onder b BW. Motiveringsgebreken.
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep, voor zover gericht tegen [verweerder 6] en [verweerder 3];
veroordeelt in zoverre [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 6] en [verweerder 3] begroot op nihil;
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2010, voor zover gewezen tussen [eiser] als appellant en [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] als geïntimeerden;
verwijst in zoverre het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 29 juni 2012.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
29 juni 2012
Eerste Kamer
11/01141
TT/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
4. [Verweerder 4],
5. [Verweerder 5],
6. [Verweerder 6],
allen wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Eiser tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als [eiser] en verweerders gezamenlijk als [verweerder] c.s. dan wel ieder afzonderlijk als [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 3], [verweerder 4], [verweerder 5] en [verweerder 6].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 167501 / HA ZA 06-1890 van de rechtbank Breda van 5 september 2007;
b. het arrest in de zaak HD 103.005.875 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2010.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 april 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
[Eiser] en verweerders woonden of verbleven op 9 oktober 2004 allen in een flatgebouw aan de [a-straat] te [plaats]. Op die datum heeft een confrontatie plaatsgevonden tussen [eiser] enerzijds en [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] anderzijds. Toen [eiser] zijn woning wilde binnengegaan zijn [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] hem samen achternagegaan, en heeft [verweerder 1] [eiser] tegengehouden en hem twee klappen in het gezicht gegeven.
3.2.1 [Eiser] vordert dat voor recht zal worden verklaard dat verweerders aldus in groepsverband onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld op de voet van art. 6:166 lid 1 BW en zullen worden veroordeeld hem de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Hij heeft aangevoerd dat hij door de mishandeling ernstige pijn heeft ervaren en dat sindsdien bij hem sprake is van angstgevoelens waarvoor hij zijn huisarts heeft geraadpleegd, die hem heeft doorverwezen naar de GGZ.
3.2.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen op de grond dat [eiser] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog dat de vordering, voor zover gericht tegen [verweerder 6] en [verweerder 3], reeds moet falen omdat niet is komen vast te staan dat zij tot de door [eiser] bedoelde groep hebben behoord (rov. 4.5 en 4.8). Wat betreft de vordering voor zover gericht tegen [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] overwoog het hof, kort samengevat, dat aan alle door art. 6:166 lid 1 gestelde eisen voor aansprakelijkheid van deze verweerders is voldaan (rov. 4.7-4.9), behalve dat schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. [Eiser] heeft immers noch het bestaan van de gestelde angststoornis, noch het causaal verband met het onrechtmatige groepshandelen aangetoond en heeft voorts nagelaten een gespecificeerd bewijsaanbod te doen, zodat deze angststoornis en het causaal verband niet vaststaan (rov. 4.10.1- 4.10.2). Voor zover hij heeft bedoeld schade wegens geestelijk letsel te vorderen, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is (rov. 4.10.3.1). Voor zover hij tevens heeft bedoeld aanspraak te maken op smartengeld op grond van lichamelijk letsel is het hof van oordeel dat dit letsel, een blauw oog, te gering is om voor vergoeding in aanmerking te komen (rov. 4.10.3.2). Daarom is geen plaats voor een verwijzing van partijen naar de schadestaat (rov. 4.13).
3.3 De klachten van het middel zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] niet heeft aangetoond dat schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, en de daarvoor aangevoerde gronden.
Zij keren zich niet tegen het oordeel dat de vordering, voor zover gericht tegen [verweerder 6] en [verweerder 3], moet falen. Daarom moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep, voor zover gericht tegen [verweerder 6] en [verweerder 3].
3.4 De klachten zijn in zoverre gegrond dat de door het hof als vaststaand aangemerkte omstandigheid dat [eiser] aan de mishandeling een blauw oog heeft overgehouden, en dus lichamelijk letsel heeft opgelopen, hem op de voet van art. 6:106 lid 1, onder b, BW recht geeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat dit letsel te gering is om voor enige vergoeding in aanmerking te komen.
3.5 De motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door de mishandeling ook op andere wijze in zijn persoon is aangetast in de zin van de zojuist aangehaalde wetsbepaling, faalt echter. Voor de toewijsbaarheid van een hierop gerichte vordering is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Weliswaar is niet in alle gevallen uitgesloten dat een uitzondering op dit uitgangspunt wordt aanvaard in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, maar in het onderhavige geval heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat daartoe onvoldoende is gesteld.
3.6 De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep, voor zover gericht tegen [verweerder 6] en [verweerder 3];
veroordeelt in zoverre [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 6] en [verweerder 3] begroot op nihil;
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 oktober 2010, voor zover gewezen tussen [eiser] als appellant en [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] als geïntimeerden;
verwijst in zoverre het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder 1], [verweerder 2], [verweerder 4] en [verweerder 5] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 465,99 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 29 juni 2012.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2012:BW1519 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSHE:2010:BX6555 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6754 Rechtbank Midden-Nederland, 16 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6765 Rechtbank Midden-Nederland, 16 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6768 Rechtbank Midden-Nederland, 16 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3105 Gerechtshof Amsterdam, 7 november 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juli 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12386 Rechtbank Den Haag, 5 juni 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:2458 Rechtbank Overijssel, 14 mei 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:912 Rechtbank Rotterdam, 7 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:514 Rechtbank Overijssel, 30 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:516 Rechtbank Overijssel, 30 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:517 Rechtbank Overijssel, 30 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6064 Rechtbank Midden-Nederland, 25 oktober 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7625 Rechtbank Rotterdam, 16 augustus 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:1389 Rechtbank Rotterdam, 13 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2848 Gerechtshof Den Haag, 8 november 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:5673 Rechtbank Amsterdam, 30 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3230 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:7998 Rechtbank Rotterdam, 9 september 2022 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2919 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 augustus 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1697 Rechtbank Noord-Nederland, 24 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:1440 Rechtbank Overijssel, 19 mei 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:561 Rechtbank Amsterdam, 10 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6868 Rechtbank Midden-Nederland, 11 november 2021 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5417 Rechtbank Midden-Nederland, 9 november 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3213 Gerechtshof Amsterdam, 26 oktober 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4668 Rechtbank Noord-Holland, 8 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1076 Gerechtshof Den Haag, 25 mei 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14127 Rechtbank Den Haag, 30 december 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13364 Rechtbank Den Haag, 24 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12546 Rechtbank Den Haag, 10 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3434 Gerechtshof Amsterdam, 24 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3228 Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:1229 Parket bij de Hoge Raad, 17 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3418 Gerechtshof Amsterdam, 12 november 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4217 Rechtbank Midden-Nederland, 6 oktober 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9680 Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6528 Rechtbank Noord-Holland, 25 augustus 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3874 Rechtbank Den Haag, 22 april 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3032 Gerechtshof Den Haag, 26 november 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:5000 Rechtbank Gelderland, 7 november 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:11626 Rechtbank Den Haag, 4 november 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:5027 Rechtbank Midden-Nederland, 29 oktober 2019 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:7566 Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:8102 Rechtbank Rotterdam, 11 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3714 Gerechtshof Amsterdam, 10 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:7542 Rechtbank Amsterdam, 10 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3367 Gerechtshof Amsterdam, 12 september 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:6490 Rechtbank Amsterdam, 2 september 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:8286 Rechtbank Noord-Holland, 21 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:561 Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:625 Parket bij de Hoge Raad, 17 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:2212 Rechtbank Midden-Nederland, 17 mei 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:4496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 mei 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:496 Parket bij de Hoge Raad, 10 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:497 Parket bij de Hoge Raad, 10 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:427 Parket bij de Hoge Raad, 23 april 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:1287 Rechtbank Midden-Nederland, 26 maart 2019 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:376 Hoge Raad, 15 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:541 Rechtbank Midden-Nederland, 13 februari 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:404 Rechtbank Amsterdam, 23 januari 2019 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.