Uitspraak · Strafrecht

Hoge Raad, 7 februari 2012

ECLI:NL:HR:2012:BU7333Zaaknummer 11/00102

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00102
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het middel dat klaagt dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op een gevoerd verweer mist feitelijke grondslag aangezien het proces-verbaal van die terechtzitting noch de op die terechtzitting overgelegde pleitnota inhoudt dat zo’n verweer is gevoerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 7 februari 2012.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Geding in cassatie
  2. 2. Beoordeling van het eerste middel
  3. 3. Beoordeling van het tweede middel
  4. 4. Beslissing

7 februari 2012

Strafkamer

nr. S 11/00102

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 april 2010, nummer 22/000787-09, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.S. Douma, advocaat te Rijswijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op een ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2010 gevoerd verweer dat wat betreft het onder 10 tenlastegelegde feit geen sprake is van een criminele organisatie.

2.2. Ten laste van de verdachte is onder 10 bewezenverklaard dat:

"hij, in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 mei 2007 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie (te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en anderen) welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het op bedrijfsmatige wijze telen en verkopen van grote hoeveelheden hennep, als bedoeld in artikel 11 derde en/of vijfde lid van de Opiumwet."

2.3. Het middel mist feitelijke grondslag, aangezien het proces-verbaal van die terechtzitting noch de op die terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota inhoudt dat een dergelijk verweer aldaar is gevoerd. Het enkele in hoger beroep in algemene termen handhaven van "in primo ingenomen stellingen ten aanzien van het niet bestaan van een criminele organisatie" als weergegeven in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota welke aan het proces-verbaal van die terechtzitting is gehecht, kan niet gelden als een uitdrukkelijke herhaling van een eerste aanleg gevoerd verweer waarop het Hof had dienen te beslissen (vgl. HR 30 juni 1998, LJN ZC8329, NJ 1999/60).

3. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 7 februari 2012.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.