Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 20 januari 2012
ECLI:NL:HR:2012:BT1516Zaaknummer 10/02678
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 januari 2012
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02678
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 26 AWR. Art. 7:1, lid 2, Awb. Nadere beslissing op bezwaar geen beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, M.W.C. Feteris, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2012.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
20 januari 2012
nr. 10/02678
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X1 B.V., X2 B.V. c.s. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 mei 2010, nr. 09/00086, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. De Inspecteur heeft bij uitspraak het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 07/2448) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft zich bij verweerschrift gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 augustus 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. In zijn uitspraak van 1 maart 2007 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
3.1.2. Naar aanleiding van de aankondiging van deze uitspraak op het bezwaar, heeft belanghebbende op 19 februari 2007 het volgende aan de Inspecteur geschreven:
"Uw constatering dat geen nadere motivering heeft plaatsgevonden, is niet juist. Tegelijkertijd met het bezwaarschrift voor de jaren 2000 tot en met 2003 (op 14 november 2006) is een nadere motivering van het pro forma bezwaar voor het jaar 1999 ingediend (zie uitdraai postboek). (...) Ik verzoek u dit bezwaar alsnog in behandeling te nemen. Ter zake wens ik gebruik te maken van de mogelijkheid om gehoord te worden. Indien u van mening bent dat de niet-ontvankelijkverklaring ter zake van het jaar 1999 voor de rechtbank dient te worden bestreden, verneem ik dat - gelet op de beroepstermijn van zes weken - graag op de kortst mogelijke termijn van u."
3.1.3. De Inspecteur is aan het verzoek om het bezwaar alsnog in behandeling te nemen tegemoetgekomen en heeft op 28 maart 2007 belanghebbende gehoord.
3.1.4. Bij brief van 8 mei 2007 heeft de Inspecteur belanghebbende zijn oordeel over de gegrondheid van diens bezwaren meegedeeld, inhoudende dat de omzetbelasting terecht is nageheven. Onder het kopje "Uitspraak op het bezwaar" heeft de Inspecteur in die brief bericht dat hij de aanslag handhaaft.
3.1.5. Op 12 juni 2007 heeft belanghebbende naar aanleiding van de hiervoor in 3.1.4 bedoelde brief van 8 mei 2007 beroep ingesteld bij de Rechtbank.
3.2.1. Voor het Hof ging het geschil primair over de vraag of de Rechtbank het beroep terecht wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.2.2. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het is daarbij ervan uitgegaan dat het beroep (uitsluitend) gericht kon zijn tegen de uitspraak van de Inspecteur van 1 maart 2007, en heeft op basis daarvan geoordeeld dat het beroep is ingesteld na afloop van de daarvoor geldende termijn. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
3.3.1. De klacht die zich richt tegen het hiervoor als eerste vermelde oordeel van het Hof faalt. Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, Awb beroep kan worden ingesteld.
3.3.2. De tweede klacht richt zich ertegen dat het Hof is voorbijgegaan aan de stelling van belanghebbende dat van haar niet in redelijkheid kon worden gevergd dat zij binnen twee weken na het hoorgesprek bij de Inspecteur het beroep zou hebben ingesteld. Deze klacht kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, M.W.C. Feteris, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2012.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2012:BT1516 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3763 Gerechtshof Amsterdam, 23 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14653 Rechtbank Noord-Holland, 10 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2595 Gerechtshof Den Haag, 23 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1397 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8777 Rechtbank Noord-Holland, 11 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:225 Parket bij de Hoge Raad, 1 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6621 Rechtbank Gelderland, 7 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7492 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2830 Gerechtshof Amsterdam, 24 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2448 Gerechtshof Amsterdam, 28 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1440 Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:156 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 29 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2222 Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4517 Rechtbank Rotterdam, 30 mei 2023 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:409 Gerechtshof Amsterdam, 31 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1771 Gerechtshof Den Haag, 21 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1772 Gerechtshof Den Haag, 21 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:6289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:6290 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:5903 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1829 Gerechtshof Amsterdam, 21 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3217 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:2091 Rechtbank Noord-Holland, 11 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12083 Rechtbank Noord-Holland, 24 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9976 Rechtbank Noord-Holland, 15 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2559 Gerechtshof Amsterdam, 10 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1257 Gerechtshof Amsterdam, 4 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:2225 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:388 Gerechtshof Den Haag, 9 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:546 Gerechtshof Den Haag, 9 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:1704 Rechtbank Noord-Holland, 18 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:10023 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4927 Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4928 Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4930 Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:4931 Rechtbank Midden-Nederland, 30 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:5155 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 oktober 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1840 Gerechtshof Den Haag, 30 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1550 Gerechtshof Den Haag, 18 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:867 Gerechtshof Den Haag, 31 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:474 Gerechtshof Den Haag, 10 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:259 Rechtbank Rotterdam, 20 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:3453 Rechtbank Noord-Nederland, 1 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:2453 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:4532 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:285 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 21 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:11777 Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4183 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3062 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:1169 Gerechtshof Amsterdam, 27 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6702 Rechtbank Oost-Brabant, 22 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5518 Gerechtshof Amsterdam, 21 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:5175 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6080 Rechtbank Oost-Brabant, 17 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:4292 Rechtbank Noord-Nederland, 9 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:5449 Rechtbank Gelderland, 27 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4673 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:8080 Rechtbank Noord-Holland, 6 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:6363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2017:6530 Rechtbank Limburg, 6 juli 2017 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.