Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 8 april 2011
ECLI:NL:HR:2011:BQ0415Zaaknummer 10/00652
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 april 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/00652
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 2, lid 3, Bpb. Proceskostenvergoeding “Rekeningenproject”; bijzondere omstandigheden.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 10/00652
8 april 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 2010, nr. P04/02814, betreffende navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting, de daarbij gegeven kwijtscheldingsbesluiten ter zake van in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede verhogingen en boetes. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. Over de jaren 1991 tot en met 2000 zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd, alsmede verhogingen en boetes. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslagen, de verhogingen en de daarbij behorende kwijtscheldingsbesluiten, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. S. Bharatsingh, advocaat te Hilversum.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) heeft rechtsbijstand verleend aan belanghebbenden in 57 zaken die in 2004 en begin 2005 bij het Hof aanhangig zijn gemaakt en die betrekking hebben op het zogenoemde Rekeningenproject.
3.1.2. De wijze waarop de gemachtigde de geschilpunten bij die zaken heeft ingebracht vertoont een grote mate van uniformiteit. Vanaf de conclusie van repliek heeft hij nagenoeg alle processtukken in die zaken in enkelvoud ingediend ten behoeve van alle door hem behandelde beroepen of ten behoeve van groepen daarvan.
3.1.3. De gemachtigde heeft bij nagenoeg alle proceshandelingen samengewerkt met de advocaat B te S. Deze advocaat heeft rechtsbijstand verleend in 10 in dezelfde periode bij het Hof aanhangig gemaakte zaken die eveneens betrekking hebben op het Rekeningenproject.
3.1.4. In de onder 3.1.1 en 3.1.3 bedoelde zaken hebben diverse zittingen plaatsgevonden. Daarbij zijn de zaken van bijna alle belanghebbenden van beide gemachtigden gelijktijdig dan wel aansluitend behandeld.
3.1.5. Op 2 februari 2007 en 16 november 2007 hebben getuigenverhoren plaatsgevonden, die door de gemachtigde zijn bijgewoond. Deze verhoren vonden plaats in het kader van alle (67) onder 3.1.1 en 3.1.3 bedoelde zaken.
3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen inzake heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen heeft vastgesteld.
3.3.1. Het Hof heeft deze vragen ontkennend beantwoord en het beroep daarom gegrond verklaard.
3.3.2. Vervolgens heeft het Hof aan belanghebbende een vergoeding toegekend voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter hoogte van € 505. Het Hof is bij de vaststelling van dit bedrag afgeweken van de forfaitaire regeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), aangezien het van oordeel was dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb.
3.3.3. Het Hof heeft daartoe onder meer overwogen dat het gelet op de strekking van het Bpb niet wenselijk is de vergoeding in het onderhavige geval te baseren op die forfaitaire regeling. Het heeft daartoe gewezen op het aantal procedures van de gemachtigde en B, en op de wijze waarop die zaken voor het Hof zijn behandeld. Tevens heeft het Hof hiertoe overwogen dat met betrekking tot de gehele groep van 67 zaken weliswaar geen sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, van het Bpb, reeds omdat niet alle 67 beroepen (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingesteld, maar dat wel sprake is van samenhang in de zin van dit artikel bij deelgroepen binnen die gehele groep. Het Hof is daarbij van oordeel dat het gelet op de vergelijkbare omvang van de werkzaamheden niet gerechtvaardigd is een onderscheid tussen deelgroepen te maken dat tot vergoedingen van uiteenlopende omvang leidt.
3.3.4. De middelen keren zich tegen het oordeel van het Hof over de proceskostenvergoeding.
3.4.1. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid. Aldus kan onder meer worden afgeweken van de forfaitaire bedragen die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit, waarnaar in artikel 2, lid 1, letter a, verwezen wordt. Opmerking verdient dat een dergelijke afwijking ook mogelijk is indien sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Bpb.
3.4.2. Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.
3.4.3. Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden door de rechter terughoudend te worden toegepast.
3.5.1. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van deelgroepen binnen de groep van 67 zaken en dat tussen de zaken binnen die deelgroepen samenhang bestaat in de zin van artikel 3, lid 2, van het Bpb. Het middel faalt bij gebrek aan belang, omdat 's Hofs oordeel over de proceskostenveroordeling kennelijk niet steunt op toepassing van artikel 3 van het Bpb op deelgroepen.
3.5.2. De uitspraak van het Hof dient aldus te worden begrepen dat het Hof heeft geoordeeld dat in alle 67 zaken, ongeacht of daarbinnen deelgroepen kunnen worden onderscheiden, in geval van gegrondverklaring van het beroep afgeweken dient te worden van het bepaalde in artikel 2, lid 1, van het Bpb op grond van bijzondere omstandigheden, met als resultaat dat in alle zaken waarin het beroep gegrond is op uniforme wijze vergoedingen voor kosten van rechtsbijstand worden toegekend. Daarbij heeft het Hof kennelijk het oog gehad op het zeer grote aantal zaken die op veel punten een sterke inhoudelijke samenhang vertoonden, waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel een uniform karakter hadden, en dus niet waren afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van artikel 2, lid 3, van het Bpb geboden is, geeft het oordeel van het Hof, aldus opgevat, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, mede gelet op de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Dit oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.
3.5.3. Daarom faalt ook het tweede middel.
3.5.4. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1441 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2237 Gerechtshof Den Haag, 25 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2947 Gerechtshof Den Haag, 11 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2024:5587 Rechtbank Oost-Brabant, 21 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6946 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6947 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6950 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:6951 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2085 Gerechtshof Den Haag, 6 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2024:1060 Hoge Raad, 12 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:788 Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1212 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3501 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:10713 Rechtbank Rotterdam, 8 december 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3225 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4083 Gerechtshof Amsterdam, 23 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:10307 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6485 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2059 Rechtbank Overijssel, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2057 Rechtbank Overijssel, 21 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:2064 Rechtbank Overijssel, 21 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:7358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4297 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3972 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3531 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:422 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:425 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:185 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:350 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:14 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10138 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9975 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:9977 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4638 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:8976 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7555 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7559 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7273 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:7274 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:5980 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2797 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2700 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4893 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4622 Gerechtshof Amsterdam, 7 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:6570 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 augustus 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5533 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:4578 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 mei 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2590 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2693 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:1591 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:1865 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:131 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:5814 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:5906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2016:3933 Rechtbank Gelderland, 19 juli 2016 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:5538 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 juli 2016 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.