Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 16 september 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP8053Zaaknummer 10/03571
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 september 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/03571
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 27o en 27p AWR. Art. 8:75 Awb. Ongegronde klachten in hoger beroep. Hof constateert ambtshalve dat redelijke termijn is overschreden en vermindert daarom de boete. Onjuist dictum. Geen vergoeding griffierecht en geen proceskostenveroordeling.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verklaart het hoger beroep ongegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking, en
vermindert de boete tot € 47.688.
Dit arrest is gewezen door vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 10/03571
16 september 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Minister van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 juli 2010, nr. P08/00131, betreffende een aan X B.V. II te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag en de boetebeschikking verminderd.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/1134) heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast het door belanghebbende voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Minister heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 22 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van 's Hofs uitspraak en verwijzing van het geding.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, alsmede een boete. De navorderingsaanslag en de boetebeschikking zijn na daartegen gemaakt bezwaar door de Inspecteur verminderd. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard.
3.1.2. Het Hof heeft de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde klachten verworpen. Op grond van de door het Hof ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM bij de berechting van de zaak in hoger beroep, heeft het Hof geoordeeld dat de boete moet worden verminderd. Enkel op die grond heeft het Hof het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking vernietigd, de boete verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de Inspecteur gelast aan haar het in beide instanties betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze oordelen richt zich het middel.
3.2.1. Nu het Hof de door belanghebbende in hoger beroep aangevo
erde grieven ongegrond achtte en enkel vanwege de ambtshalve geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep tot de conclusie is gekomen dat de boete moet worden verminderd, had het Hof het hoger beroep van belanghebbende ongegrond dienen te verklaren, de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de boetebeschikking moeten vernietigen, en de boete moeten verminderen (vgl. HR 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337). Derhalve heeft het Hof ten onrechte het hoger beroep gegrond verklaard. Ook heeft het Hof ten onrechte het beroep gegrond verklaard, aangezien er - afgezien van de hiervoor bedoelde boetevermindering - geen grond voor vernietiging van de in beroep bestreden uitspraken aanwezig was. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.2.2. Voor een vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 27p van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is in een geval als het onderhavige geen plaats. Het is niet in overeenstemming met de strekking van deze bepaling om vergoeding van het griffierecht toe te kennen in een geval waarin de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank uitsluitend haar grond vindt in de omstandigheid dat het hof ambtshalve constateert dat bij de behandeling van het hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. In een geval als het onderhavige is evenmin plaats voor vergoeding van het griffierecht voor de behandeling van het beroep dat was ingesteld bij de rechtbank of voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verklaart het hoger beroep ongegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond,
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking, en
vermindert de boete tot € 47.688.
Dit arrest is gewezen door vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2011.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2011:BP8053 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2346 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1769 Gerechtshof Amsterdam, 17 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:125 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3817 Gerechtshof Amsterdam, 21 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2047 Gerechtshof Amsterdam, 29 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1528 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8453 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3161 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6203 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6204 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4490 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 juli 2024 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:3962 Rechtbank Gelderland, 28 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:3789 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4321 Rechtbank Gelderland, 30 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2722 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2723 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2724 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3644 Rechtbank Noord-Holland, 8 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:569 Rechtbank Gelderland, 6 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1991 Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:556 Gerechtshof Den Haag, 14 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:812 Rechtbank Noord-Holland, 27 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:6791 Rechtbank Gelderland, 7 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6863 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:8612 Rechtbank Rotterdam, 14 oktober 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5155 Rechtbank Gelderland, 27 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1688 Gerechtshof Amsterdam, 31 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4511 Rechtbank Noord-Holland, 20 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:163 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:8755 Rechtbank Noord-Holland, 13 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3286 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4414 Rechtbank Noord-Nederland, 11 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:473 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2019:223 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 5 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:6113 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3524 Rechtbank Gelderland, 9 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3394 Rechtbank Gelderland, 25 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2493 Gerechtshof Amsterdam, 18 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1009 Hoge Raad, 21 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1426 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1093 Rechtbank Gelderland, 14 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:1062 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:361 Rechtbank Gelderland, 31 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:459 Rechtbank Gelderland, 30 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:487 Rechtbank Gelderland, 30 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:328 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1 Rechtbank Gelderland, 2 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:6939 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3580 Rechtbank Gelderland, 16 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3333 Rechtbank Gelderland, 27 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:3756 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5949 Rechtbank Den Haag, 26 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:703 Rechtbank Noord-Nederland, 15 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:704 Rechtbank Noord-Nederland, 15 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:1582 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:7049 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4321 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:6750 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4172 Rechtbank Gelderland, 8 augustus 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:5323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juni 2017 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.