Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 24 juni 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP5707Zaaknummer 10/01299
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 24 juni 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/01299
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Bron van inkomen? Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 10/01299
24 juni 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 9 februari 2010, nr. 08/00590, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 08/782) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende is in het onderhavige jaar (2005) onder een artiestennaam aangevangen met het verzorgen van muzikale optredens. Reeds vóór 2005 was hij begonnen met het op peil brengen van zijn muzikale vaardigheden en het inspelen van een digitaal orkest dat zorgde voor de begeleiding bij zijn optredens. Belanghebbende heeft zich ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel en fabrieken. Belanghebbende voert een boekhouding. In het jaar 2005 heeft hij drie betaalde optredens verzorgd.
3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in het onderhavige jaar een verlies uit onderneming in aanmerking kan nemen en of hij recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de muzikale activiteiten van belanghebbende in het jaar 2005 een bron van inkomen vormen. Tussen partijen was uitsluitend in geschil of sprake is van een (objectieve) voordeelsverwachting.
3.3. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat in het onderhavige jaar (2005) redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de muzikale activiteiten van belanghebbende in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren en dat derhalve die activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de omstandigheden dat in de jaren 2005 tot en met 2008 de kosten die verband hielden met de muzikale activiteiten van belanghebbende telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten overtroffen, dat in het jaar 2009 in het geheel geen optredens zijn verzorgd, alsmede op belanghebbendes verklaring in zijn hogerberoepschrift dat het niet erg waarschijnlijk was dat zijn muzikale activiteiten reeds op korte termijn tot positieve resultaten zouden leiden.
3.4. De klachten bestrijden 's Hofs oordeel onder meer met het betoog dat de aanwezigheid van een inkomensbron - in dit geval een onderneming - niet mag worden beoordeeld op basis van gegevens van latere jaren ('wijsheid achteraf') alsmede dat het Hof is uitgegaan van een te korte termijn waarbinnen met de muzikale activiteiten redelijkerwijs een positief voordeel is te behalen.
3.5 De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. 's Hofs hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel - waarin het Hof feiten en omstandigheden van de jaren 2006 tot en met 2009 heeft meegewogen - geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel kan voorts, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klachten falen in zoverre.
3.6. De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2011.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2011:BP5707 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARN:2010:BL4986 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6464 Rechtbank Gelderland, 19 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2757 Gerechtshof Den Haag, 18 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2042 Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:2734 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1134 Gerechtshof Amsterdam, 14 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:527 Gerechtshof Amsterdam, 24 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:210 Gerechtshof Den Haag, 3 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2403 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1763 Gerechtshof Den Haag, 4 september 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3025 Gerechtshof Amsterdam, 22 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1100 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:75 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 26 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2612 Gerechtshof Den Haag, 11 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7092 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2636 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:3338 Rechtbank Noord-Nederland, 3 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1476 Gerechtshof Den Haag, 6 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:4613 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4445 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4475 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:658 Parket bij de Hoge Raad, 14 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1036 Gerechtshof Den Haag, 4 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3503 Rechtbank Noord-Holland, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2077 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:2867 Rechtbank Noord-Holland, 14 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:7325 Rechtbank Noord-Holland, 6 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:907 Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2046 Gerechtshof Den Haag, 17 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1862 Gerechtshof Den Haag, 7 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2406 Gerechtshof Amsterdam, 29 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12991 Rechtbank Den Haag, 29 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1354 Gerechtshof Den Haag, 12 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:11477 Rechtbank Den Haag, 6 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2279 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1360 Rechtbank Noord-Holland, 9 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:1756 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:1518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:1414 Rechtbank Den Haag, 2 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1373 Rechtbank Noord-Holland, 31 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:540 Rechtbank Noord-Holland, 30 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:541 Rechtbank Noord-Holland, 30 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:542 Rechtbank Noord-Holland, 30 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:200 Gerechtshof Den Haag, 24 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:224 Gerechtshof Den Haag, 18 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2444 Gerechtshof Den Haag, 29 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:9448 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:9449 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:7512 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2937 Gerechtshof Amsterdam, 16 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:658 Gerechtshof Den Haag, 19 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:308 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:706 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2593 Gerechtshof Den Haag, 22 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3633 Gerechtshof Amsterdam, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3634 Gerechtshof Amsterdam, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.