Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 28 januari 2011
ECLI:NL:HR:2011:BP2138Zaaknummer 10/02285
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 28 januari 2011
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/02285
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 6:9, lid 2, Awb. BNB 2005/305. Poststempel geldt als uitgangspunt bij het bepalen van de dag van terpostbezorging. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als aannemelijk is dat het poststuk voor de datum van afstempeling ter post is bezorgd.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2011.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
nr. 10/02285
28 januari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem van 23 april 2010, nr. AWB 10/230, op het verzet van belanghebbende tegen na te melden uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2007 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen.
De Rechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 23 februari 2010 (nr. AWB 10/230) het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. De Rechtbank heeft bij de in cassatie bestreden uitspraak het verzet ongegrond verklaard. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1.1. Met dagtekening 26 november 2009 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaarschrift. De bekendmaking van deze uitspraak heeft niet later dan op 26 november 2009 plaatsgevonden.
3.1.2. Uitgaande van de onder 3.1.1 vermelde feiten heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de beroepstermijn is aangevangen op 27 november 2009 en zes weken na 26 november 2009, dus op (donderdag) 7 januari 2010, is geëindigd. Voor zover de klachten zich tegen dit oordeel richten, zijn zij ongegrond.
3.2. Het beroepschrift van belanghebbende tegen de in 3.1.1 bedoelde uitspraak is per post verzonden, en is door de Rechtbank ontvangen op (dinsdag) 12 januari 2010. Het beroepschrift is derhalve ontvangen na afloop van de beroepstermijn, maar minder dan een week na het einde van die termijn. De overweging van de Rechtbank dat zij het beroepschrift later dan een week na het einde van de termijn heeft ontvangen, berust kennelijk op een vergissing.
3.3. Gelet op de datum van ontvangst van het beroepschrift heeft de Rechtbank terecht op de voet van artikel 6:9, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht onderzocht of het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn, dus uiterlijk op 7 januari 2010, ter post is bezorgd.
3.4. Dat onderzoek heeft de Rechtbank geleid tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. De Rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit het poststempel blijkt dat het beroepschrift op (maandag) 11 januari 2010 ter post is bezorgd.
3.5. Naar aanleiding van de daartegen gerichte klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
3.5.1. Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, nr. 30950, LJN AA1892, BNB 1996/282).
3.5.2. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. HR 17 juni 2005, nr. 40737, LJN AT7649, BNB 2005/305).
3.5.3. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters.
3.5.4. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.
3.6.1. Het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank moet aldus worden begrepen dat belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat terpostbezorging van het beroepschrift heeft plaatsgevonden vóór 11 januari 2010, de datum waarop het poststempel daarop is geplaatst, en dat de Rechtbank er daarom van uit is gegaan dat het beroepschrift op die datum ter post is bezorgd. Aldus begrepen geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van miskenning van de hiervoor in 3.5 geformuleerde regels. Voor het overige kan het in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het oordeel behoefde ook geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat belanghebbende heeft volstaan met de niet geadstrueerde stelling dat hij het beroepschrift op 5 januari 2010 op de post heeft gedaan.
3.6.2. Voor zover de klachten zich richten tegen het in 3.4 vermelde oordeel van de Rechtbank, falen zij daarom eveneens.
3.7. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2011.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2813 Gerechtshof Amsterdam, 20 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:907 Gerechtshof Den Haag, 14 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:262 Gerechtshof Amsterdam, 16 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3583 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:27 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 1 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:8887 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:5018 Rechtbank Noord-Holland, 9 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1818 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2022:948 Centrale Raad van Beroep, 26 april 2022 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:12118 Rechtbank Rotterdam, 13 december 2021 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:7248 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:654 Gerechtshof Amsterdam, 9 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9894 Rechtbank Noord-Holland, 27 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2455 Gerechtshof Amsterdam, 25 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2277 Gerechtshof Amsterdam, 13 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3849 Gerechtshof Amsterdam, 13 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2216 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:4347 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1206 Gerechtshof Amsterdam, 7 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3089 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 augustus 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2019:2368 Centrale Raad van Beroep, 17 juli 2019 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1784 Gerechtshof Amsterdam, 23 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:2597 Rechtbank Oost-Brabant, 9 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3540 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1428 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:455 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10965 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 december 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3940 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:967 Gerechtshof Amsterdam, 20 maart 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2018:36 Centrale Raad van Beroep, 5 januari 2018 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:7793 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3405 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 juli 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2017:2599 Centrale Raad van Beroep, 7 juli 2017 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1425 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2103 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:786 Gerechtshof Amsterdam, 10 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:8742 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:2027 Gerechtshof Amsterdam, 31 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:145 Gerechtshof Amsterdam, 7 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4365 Gerechtshof Amsterdam, 17 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CRVB:2015:639 Centrale Raad van Beroep, 4 maart 2015 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:533 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 februari 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:4770 Gerechtshof Amsterdam, 13 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:8289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:8290 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:6760 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 september 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:3482 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 mei 2014 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.