Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 4 juni 2010
ECLI:NL:HR:2010:BL0990Zaaknummer 08/00313
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 juni 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00313
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 229b Gemeentewet. Rioolrecht. Kosten van baggeren en grondwatercontrole hangen meer dan zijdelings met riolering samen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 08/00313
4 juni 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 december 2007, nr. 05/00391, betreffende na te melden aanslag in het afvoerrecht riolering van de gemeente Amsterdam.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende, gebruikster van het eigendom a-straat 1 te Z, is voor het jaar 1993 een aanslag in het afvoerrecht riolering opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van de gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de Inspecteur) is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 255.419,37.
Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. Het eerste en tweede geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam is op het beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) bij arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2001, nr. 36013, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. De uitspraak van laatstgenoemd hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, nr. 39274, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het derde geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 18 december 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het Hof diende na verwijzing te beoordelen of de in de raming van de rioleringskosten opgenomen posten 'baggerkosten' en 'grondwatercontrolekosten' niet of slechts zijdelings met de riolering samenhangen en derhalve niet als rioleringskosten hadden mogen worden aangemerkt (onderdeel 4.3.2 van het tweede verwijzingsarrest en onderdeel 3.1 van 's Hofs uitspraak).
4.2. Het Hof is ervan uitgegaan dat kostenposten niet of slechts zijdelings met de riolering samenhangen, indien zij daarmee voor minder dan 10 percent samenhangen. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat als uitgangspunt moet worden genomen dat kostenposten slechts dan niet (geheel of ten dele) als kosten ter zake van de riolering kunnen worden aangemerkt, indien zij geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen. Dat uitgangspunt is juist (HR 31 maart 1999, nr. 33427, LJN AA2710, BNB 1999/221, onder 5.6). Voor zover de in het middel vervatte klachten van een andere opvatting uitgaan, falen zij.
4.3. Het Hof heeft (in onderdeel 5 van zijn uitspraak) geoordeeld dat, kort gezegd, de baggerkosten meer dan slechts zijdelings verband houden met de riolering. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat de in zijn uitspraak bedoelde grachten, vijvers en overige waterlopen niet alleen dienen voor de waterberging maar ook voor de afvoer in het kader van het rioleringsbeheer. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur erin is geslaagd belanghebbendes stelling te weerleggen dat het baggeren niets te maken heeft met de rioleringsfunctie van de grachten.
Dat het Hof op grond van onder andere deze vaststellingen tot het oordeel is gekomen dat de baggerkosten in grotere mate dan slechts zijdelings met de riolering samenhangen, geeft geen blijk van miskenning of verkeerde uitleg van het in 4.1 bedoelde beoordelingscriterium voor de procedure na verwijzing. Voor het overige kan dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, niet nader op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
4.4. Met betrekking tot de grondwatercontrolekosten heeft het Hof (in onderdeel 5 van zijn uitspraak) geoordeeld dat ook deze kosten in grotere mate dan slechts zijdelings met de riolering samenhangen. Daartoe heeft het Hof, gelet op de verwijzingen in de onderdelen 4.8 en 4.9 van zijn uitspraak naar door de Inspecteur overgelegde stukken, kennelijk geoordeeld (i) dat door de Inspecteur aannemelijk is gemaakt dat een dalende grondwaterstand erop kan wijzen dat er een lek zit in een rioolbuis die normaal onder de grondwaterspiegel ligt maar ten gevolge van dat lek is gaan werken als drainagebuis, (ii) dat een dalende grondwaterstand derhalve een gevolg kan zijn van het niet goed functioneren van het rioolstelsel, en (iii) dat de gemeente om die reden ter controle van de grondwaterstanden een peilfilterbuizennet langs het rioolstelsel heeft aangelegd. Aldus verstaan geeft ook dit oordeel van het Hof geen blijk van miskenning of verkeerde uitleg van het in 4.1 bedoelde beoordelingscriterium voor de procedure na verwijzing. Voor het overige kan dit oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, niet nader op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In zoverre faalt het middel.
4.5. De overige in het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BL0990 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARN:2007:BC0240 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2814 Gerechtshof Amsterdam, 25 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:262 Gerechtshof Den Haag, 11 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:265 Gerechtshof Den Haag, 11 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:279 Gerechtshof Den Haag, 11 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:319 Gerechtshof Den Haag, 11 februari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1199 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1200 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1201 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1202 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1203 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1205 Rechtbank Den Haag, 26 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2397 Gerechtshof Den Haag, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19514 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19691 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19817 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19818 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19819 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19820 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21090 Rechtbank Den Haag, 22 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:590 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:591 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:593 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:596 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 februari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:207 Gerechtshof Den Haag, 9 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1116 Parket bij de Hoge Raad, 25 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:7615 Rechtbank Noord-Holland, 9 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:3220 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:11528 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:975 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:180 Parket bij de Hoge Raad, 25 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:371 Rechtbank Noord-Nederland, 4 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:372 Rechtbank Noord-Nederland, 4 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:374 Rechtbank Noord-Nederland, 4 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:466 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:5024 Gerechtshof Amsterdam, 3 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1016 Hoge Raad, 21 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1020 Hoge Raad, 21 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4753 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:5650 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:2386 Rechtbank Gelderland, 29 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:1896 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:398 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:5636 Rechtbank Midden-Nederland, 1 november 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2017:5733 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:3080 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2017:1413 Rechtbank Overijssel, 29 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:53 Parket bij de Hoge Raad, 30 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1199 Parket bij de Hoge Raad, 23 november 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1101 Gerechtshof Den Haag, 20 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:19 Gerechtshof Den Haag, 6 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:5691 Gerechtshof Amsterdam, 8 december 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:6569 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2015:6678 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2016 Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:5839 Gerechtshof Amsterdam, 18 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2014:2268 Parket bij de Hoge Raad, 2 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2014:7112 Rechtbank Gelderland, 18 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:4700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:7737 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2014:2203 Rechtbank Amsterdam, 24 april 2014 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.