Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 26 januari 2010
ECLI:NL:HR:2010:BK2094Zaaknummer 08/00130
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 januari 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00130
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 342.2 Sv. Unus testis, nullus testis. Vlgs art. 342.2 Sv – dat de tll in haar geheel betreft – kan het bewijs dat verdachte het tlg. feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van 1 getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door 1 getuige gereleveerde f&o op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan dat bewijsmininum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De HR kan daarom geen algemene regel geven over de toepassing van art. 342.2. Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. I.c. kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangever onvoldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal, zodat van schending van art. 342.2. Sv geen sprake is. Het verband tussen die verklaring en het overige bewijsmateriaal is ook zonder nadere motivering duidelijk en, anders dan in HR LJN BH3704 en HR LJN BG7764, is geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen beide.
De Hoge Raad:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wat betreft de in de bestreden uitspraak gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 januari 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26 januari 2010
Strafkamer
Nr. 08/00130
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 december 2007, nummer 24/000941-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. de Vries, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep wat betreft het onder 3 tenlastegelegde en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1. Het bestreden arrest heeft wat betreft feit 3 betrekking op een overtreding (art. 27, eerste lid, in samenhang met art. 54 Wet wapens en munitie); het Hof heeft ter zake van dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Ingevolge het sedert 1 januari 2002 toepasselijke art. 427 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,--, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
2.2. Hieruit volgt dat tegen de bestreden uitspraak wat betreft de ten aanzien van feit 3 gegeven beslissingen geen beroep in cassatie heeft opengestaan zodat de verdachte in zoverre in het ingestelde beroep niet kan worden ontvangen. Het tweede middel, dat betrekking heeft op dat feit, moet dus buiten bespreking blijven.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van feit 2 uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige.
3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"hij op 3 september 2006 te Burgum, in de gemeente Tytsjerksteradiel, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 1] een mes getoond en daarbij (meermalen) deze opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "I kill you"."
3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:
"Ik wil aangifte doen van bedreiging met een mes. Op 3 september 2006 was ik in mijn woning op het asielzoekerscentrum te Burgum. Er werd door [verdachte] op de deur van mijn woning gebonkt. Ik zag dat [verdachte] een mes bij zich had. Ik hoorde [verdachte] in mijn richting roepen: 'I kill you.' [Verdachte] is weer weggegaan. Even later is [verdachte] weer teruggekomen. Ik zag dat [verdachte] het mes bij zich had. Weer hoorde ik [verdachte] roepen: 'I kill you.' Daarna is [verdachte] weer weggegaan en even later weer teruggekomen. Hij bedreigde mij wederom zoals de keren hiervoor met het mes en de woorden dat hij mij wilde doodmaken. Ik voel mij hierdoor heel erg bedreigd en ik ben heel bang voor [verdachte]."
b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
"Op 3 september 2006 kregen wij de opdracht om te gaan naar het asielzoekerscentrum te Burgum. Zojuist zou daar een bedreiging met een mes geweest zijn. Ter plaatse werden wij aangesproken door [slachtoffer 1]. Wij zagen dat [slachtoffer 1] hevig geëmotioneerd was en dat hij over zijn hele lichaam trilde. Wij hoorden dat hij aan ons vertelde met de dood te zijn bedreigd door [verdachte]."
c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1]:
"Verdachte is op 3 september 2006 aangehouden. Direct na de aanhouding werd verdachte [verdachte] onderworpen aan een veiligheidsfouillering. Hierbij werd in zijn broekzak een mes aangetroffen. Genoemd mes is inbeslaggenomen."
d. een proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], taakaccenthouder vuurwapens:
"Op 3 september 2006 werd in Burgum een voorwerp inbeslaggenomen onder [verdachte]. Ik zag dat het een zakmes betrof. Het zakmes is een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV sub 7 van de Wet wapens en munitie, ervan uitgaande dat verdachte dit wapen droeg op de openbare weg en het heeft gebruikt voor het uitvoeren van een bedreiging."
e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
"Ik droeg op 3 september 2006 een zakmes in mijn zak. U toont mij foto's uit het dossier van een mes. Het mes op de foto's is het mes dat ik bij mij had.
Ik ben op 3 september 2006 in het asielzoekerscentrum in Burgum geweest. Ik weet dat [slachtoffer 1] daar woont."
3.3. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen.
3.4. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de aangever onvoldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Anders dan in het middel wordt betoogd, is dus van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake.
Hierbij verdient nog opmerking dat in de onderhavige zaak het verband tussen de verklaring van de aangever en het overige gebruikte bewijsmateriaal ook zonder nadere motivering duidelijk is. Anders dan in HR 30 juni 2009, LJN BH3704, NJ 2009, 495 en HR 30 juni 2009, LJN BG7764, NJ 2009, 496 het geval was, is in deze zaak geen sprake van een te ver verwijderd verband tussen die ene getuigenverklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal.
3.5. Het middel faalt.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal
de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wat betreft de in de bestreden uitspraak gegeven beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink, J. de Hullu, W.F. Groos en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 januari 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BK2094 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNNE:2026:4150 Rechtbank Noord-Nederland, 1 oktober 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2961 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2962 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2026:1050 Rechtbank Noord-Nederland, 1 april 2026 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2058 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 juli 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:228 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 11 juni 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:23 Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:9269 Rechtbank Gelderland, 20 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:1315 Parket bij de Hoge Raad, 10 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8394 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 9 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:941 Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:5617 Rechtbank Gelderland, 2 juli 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4335 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:7282 Rechtbank Limburg, 13 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8094 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 november 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1935 Gerechtshof Den Haag, 9 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3064 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2720 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4394 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 juni 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:1921 Rechtbank Noord-Nederland, 9 mei 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2023:840 Rechtbank Amsterdam, 9 februari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:321 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:195 Rechtbank Noord-Nederland, 19 januari 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:4962 Rechtbank Noord-Nederland, 20 december 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3685 Rechtbank Noord-Nederland, 6 oktober 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2022:5156 Rechtbank Gelderland, 1 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3089 Rechtbank Noord-Nederland, 23 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2856 Rechtbank Noord-Nederland, 9 augustus 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2345 Rechtbank Noord-Nederland, 8 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2346 Rechtbank Noord-Nederland, 8 juli 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1806 Rechtbank Noord-Nederland, 7 juni 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1393 Rechtbank Amsterdam, 25 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1266 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2022:194 Parket bij de Hoge Raad, 8 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:658 Rechtbank Oost-Brabant, 2 maart 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:538 Rechtbank Limburg, 26 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6682 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 december 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:6332 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 december 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5167 Rechtbank Noord-Nederland, 3 december 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:5030 Rechtbank Amsterdam, 10 september 2021 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:6365 Rechtbank Limburg, 11 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1471 Rechtbank Noord-Nederland, 15 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:1101 Rechtbank Noord-Nederland, 2 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 februari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2021:1032 Rechtbank Limburg, 8 februari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:9569 Rechtbank Limburg, 7 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:3241 Rechtbank Midden-Nederland, 12 augustus 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:3599 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 augustus 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:4974 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5635 Rechtbank Den Haag, 23 juni 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 februari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:668 Parket bij de Hoge Raad, 25 juni 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2019:2527 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 juni 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1248 Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:3430 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 augustus 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:3470 Rechtbank Amsterdam, 22 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:2624 Rechtbank Amsterdam, 23 april 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6301 Rechtbank Oost-Brabant, 5 december 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2195 Gerechtshof Amsterdam, 13 juni 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:4664 Rechtbank Den Haag, 4 mei 2017 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.