Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 19 februari 2010
ECLI:NL:HR:2010:BK1034Zaaknummer 08/03784
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 februari 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/03784
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Belang bij een beroep tegen een voorlopige aanslag, indien de definitieve aanslag reeds onherroepelijk vaststaat
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 08/03784
19 februari 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 augustus 2008, nr. 07/00344, betreffende een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 06/6480) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 7 oktober 2009 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principale beroep en niet-ontvankelijkverklaring van het incidentele beroep.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
Belanghebbende heeft voorts op de conclusie gereageerd bij een nader geschrift. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
3. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
Het middel faalt. Het Hof heeft het beroep van de Inspecteur op niet-ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep terecht verworpen. Uit de voorlopige aanslag vloeit voor belanghebbende een betalingsverplichting voort, die door de Ontvanger zo nodig met wettelijke dwangmiddelen kan worden afgedwongen. Dat wordt niet anders indien naderhand een definitieve aanslag wordt opgelegd waarmee de voorlopige aanslag verrekend wordt, ook niet indien die definitieve aanslag onherroepelijk komt vast te staan. Aldus bestaat er voor de betrokkene een belang bij een oordeel van de rechter over de vraag of de voorlopige aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
4. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BK1034 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2024:338 Rechtbank Midden-Nederland, 26 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1684 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:969 Gerechtshof Amsterdam, 9 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1243 Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1018 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:2576 Rechtbank Noord-Nederland, 5 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1496 Gerechtshof Den Haag, 4 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:990 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:1298 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 februari 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2010:BK1034 Parket bij de Hoge Raad, 19 februari 2010 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.