Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 16 april 2010
ECLI:NL:HR:2010:BJ9082Zaaknummer 08/05088
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 16 april 2010
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/05088
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
art. 16, lid 1, AWR, nieuw feit, ambtelijk verzuim, onderzoeksplicht inspecteur bij gemoedsbezwaarde met hoge ziektekosten
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2010.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 08/05088
16 april 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 oktober 2008, nr. BK-08/00018, betreffende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premievervangende belasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premievervangende belasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 06/6367) heeft het ingestelde beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 25 augustus 2009 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende heeft op grond van zijn geloof gemoedsbezwaren tegen verzekeringen, en heeft daarom geen verzekering tegen ziektekosten afgesloten. Belanghebbende wordt als zogenoemde gemoedsbezwaarde niet aangeslagen in de premieheffing volksverzekeringen, maar in de premievervangende belasting.
3.1.2. In 2001 dreef belanghebbende een fruitteeltbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. Hij was in dat jaar gehuwd. Tot zijn gezin behoorden vier kinderen.
3.1.3. Voor het jaar 2001 heeft belanghebbende aangifte voor de inkomstenbelasting/premievervangende belasting gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Bij vraag 27a van het aangiftebiljet is een bedrag van € 27.608 aan ziektekosten en andere buitengewone uitgaven in aanmerking genomen.
3.1.4. Als bijlage bij de papieren aangifte is de jaarrekening van belanghebbendes onderneming overgelegd. Hierin wordt in het overzicht van privéstortingen en -onttrekkingen melding gemaakt van de gedane uitgaven voor ziektekosten. Ook wordt daarin onder meer een bedrag aan ontvangen giften van € 37.555 vermeld.
3.1.5. De Inspecteur heeft voor het jaar 2001 zonder nader onderzoek een aanslag opgelegd overeenkomstig de aangifte.
3.1.6. Naar aanleiding van de beoordeling van de aangifte voor de inkomstenbelasting/premievervangende belasting voor het jaar 2002 heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de uitgaven die belanghebbende in 2001 en 2002 voor ziektekosten heeft gedaan niet op hem drukken, gelet op de door belanghebbende ontvangen giften en dat derhalve voor het jaar 2001 ten onrechte een bedrag aan ziektekosten in aanmerking is genomen. In verband daarmee heeft de Inspecteur aan belanghebbende een navorderingsaanslag over het jaar 2001 opgelegd.
3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het middel richt zich onder meer tegen dit oordeel.
3.3.1. De inspecteur mag bij het vaststellen van een aanslag in de inkomstenbelasting/premievervangende belasting uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.
3.3.2. In onderdeel 6.3 van zijn uitspraak heeft het Hof onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2007, nr. 43489, LJN BB3465, BNB 2008/281, geoordeeld dat de Inspecteur in redelijkheid niet aan de juistheid van de ingediende aangifte behoefde te twijfelen, zodat het nalaten van het instellen van een onderzoek naar een of meer bijzondere vergoedingen niet als een ambtelijk verzuim kan worden aangemerkt.
3.3.3. Hiermee heeft het Hof kennelijk bedoeld te oordelen dat de Inspecteur, indien hij met een normale zorgvuldigheid kennis zou hebben genomen van de inhoud van de aangifte, in redelijkheid niet behoorde te twijfelen aan de juistheid van de daarin gevraagde ziektekostenaftrek. In dit oordeel ligt besloten dat de Inspecteur in redelijkheid geen aanleiding tot twijfel hoefde te vinden in (a) de mogelijkheid dat belanghebbende met het oog op de ziektekosten financiële steun had gekregen van de leden van zijn geloofsgemeenschap en (b) de niet nader toegelichte vermelding van ontvangen giften in een bijlage bij belanghebbendes aangifte, omdat er desondanks een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de door belanghebbende gemaakte ziektekosten op hem drukten.
3.3.4. Aldus opgevat geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.
3.4. Het middel faalt derhalve in zoverre. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2010.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2010:BJ9082 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHSGR:2008:BG5712 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHSHE:2026:2222 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1583 Gerechtshof Den Haag, 9 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:353 Gerechtshof Den Haag, 20 januari 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:3019 Gerechtshof Den Haag, 29 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1241 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2665 Gerechtshof Den Haag, 12 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam, 19 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6632 Rechtbank Gelderland, 1 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag, 9 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:793 Gerechtshof Amsterdam, 7 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:795 Gerechtshof Amsterdam, 7 maart 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:309 Gerechtshof Den Haag, 28 februari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1013 Rechtbank Den Haag, 18 januari 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2322 Gerechtshof Amsterdam, 19 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3192 Gerechtshof Amsterdam, 14 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2192 Gerechtshof Amsterdam, 22 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3187 Gerechtshof Amsterdam, 10 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3552 Gerechtshof Amsterdam, 1 augustus 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1946 Gerechtshof Amsterdam, 6 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2316 Gerechtshof Amsterdam, 6 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1000 Gerechtshof Amsterdam, 13 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:497 Gerechtshof Amsterdam, 14 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1485 Rechtbank Noord-Holland, 14 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:454 Gerechtshof Amsterdam, 7 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1373 Rechtbank Noord-Holland, 31 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:583 Rechtbank Noord-Holland, 31 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2719 Gerechtshof Den Haag, 13 december 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2444 Gerechtshof Den Haag, 29 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3293 Gerechtshof Amsterdam, 15 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2269 Gerechtshof Den Haag, 3 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4037 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5621 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:4454 Rechtbank Noord-Holland, 17 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:9566 Rechtbank Noord-Holland, 28 april 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1447 Gerechtshof Amsterdam, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:309 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:504 Gerechtshof Amsterdam, 21 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:405 Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:406 Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:508 Rechtbank Noord-Holland, 26 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:59 Gerechtshof Den Haag, 19 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4273 Gerechtshof Amsterdam, 22 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:11401 Rechtbank Noord-Holland, 13 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3899 Gerechtshof Amsterdam, 7 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3491 Gerechtshof Amsterdam, 9 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2146 Gerechtshof Den Haag, 19 oktober 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6577 Rechtbank Noord-Holland, 5 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:6579 Rechtbank Noord-Holland, 5 augustus 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:5710 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2720 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1371 Gerechtshof Amsterdam, 29 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1391 Gerechtshof Amsterdam, 29 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:800 Gerechtshof Den Haag, 28 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:780 Gerechtshof Den Haag, 20 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1125 Gerechtshof Amsterdam, 9 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:930 Gerechtshof Amsterdam, 25 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:20 Gerechtshof Den Haag, 12 januari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2731 Gerechtshof Den Haag, 1 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2784 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2020 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.