Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 15 mei 2009
ECLI:NL:HR:2009:BI3751Zaaknummer 08/00437
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 mei 2009
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/00437
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Art. 6:22, 7:2 en 7:3 Algemene wet bestuursrecht, uitblijven reactie op verzoek afspraak te maken voor hoorzitting; afstand van recht om gehoord te worden? Terugwijzing naar Inspecteur bij schending hoorplicht.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Rechtbank en die van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 214, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 211 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 138, derhalve in totaal € 563,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1288, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 08/00437
15 mei 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 december 2007, nr. 06/00572, betreffende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen opgelegd, welke naheffingsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank Haarlem (nr. AWB 06/1695) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Tot de stukken van het geding behoort een brief van de Inspecteur van 13 februari 2004 waarin hij de toenmalige gemachtigde de mogelijkheid heeft geboden om de bezwaren tegen de onderwerpelijke naheffingsaanslag nader toe te lichten en daartoe een afspraak te maken.
Bij fax van 24 februari 2004 heeft de gemachtigde als volgt gereageerd:
"Hierbij bericht ik u dat cliënt inderdaad in de gelegenheid wenst te worden gesteld om zijn bezwaren in bovengenoemde zaak mondeling toe te lichten. Hij verblijft echter tot en met april aanstaande in het buitenland, zodat ik voorstel om een afspraak te maken in de maand mei 2004. In de verwachting u hiermede naar behoren te hebben ingelicht en in afwachting van uw bericht, verblijf ik,"
Bij brief van 10 november 2005 heeft de inspecteur gemachtigde als volgt bericht:
"U heeft aangegeven dat uw cliënt in de gelegenheid gesteld wenst te worden om zijn bezwaren in bovengenoemde zaak mondeling toe te lichten. Uw cliënt verbleef in het buitenland. Een afspraak maken werd daarom eerder uitgesteld. Inmiddels is er een behoorlijke tijd verstreken. Ik verzoek u nu binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief met mij telefonisch een afspraak te maken. (...) Indien u binnen deze periode geen afspraak met mij maakt, neem ik aan dat uw cliënt geen behoefte heeft aan een hoorgesprek."
Op dit schrijven heeft de Inspecteur geen reactie ontvangen. Hij heeft vervolgens na het verstrijken van de termijn uitspraak op het bezwaar gedaan zonder belanghebbende te hebben gehoord.
3.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden uit de gedragingen van belanghebbende en zijn gemachtigde kon worden afgeleid dat het aan feitelijke bereidheid om gehoord te worden ontbrak en de Inspecteur daarom niet kan worden tegengeworpen dat hij uitspraak op bezwaar heeft gedaan zonder belanghebbende of diens gemachtigde te horen. Het Hof heeft zich bij dit oordeel aangesloten.
3.3. Het middel klaagt terecht met een beroep op artikel 7:3 van de Awb over dat oordeel. Nu belanghebbende te kennen had gegeven door de Inspecteur te willen worden gehoord, mocht de Inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie werd ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek om binnen veertien dagen te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand deed van zijn recht om gehoord te worden, reeds omdat het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn een andere oorzaak of andere reden kon hebben. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.
Het middel wordt ook terecht voorgesteld voor zover het erover klaagt dat het Hof een ontoereikende motivering heeft gegeven voor zijn oordeel dat belanghebbende niet is geschaad door het niet gehoord zijn in de bezwaarfase. Nu omtrent de waardering van de in dit geval van belang zijnde feiten verschil van mening bestond tussen belanghebbende en de Inspecteur, kon het in de bezwaarfase horen van belanghebbende door de Inspecteur een functie hebben naast de mogelijkheid van een (eventueel) onderzoek ter zitting in de zaak in beroep en hoger beroep. Hieruit volgt dat de Rechtbank en het Hof ten onrechte de zaak hebben behandeld in plaats van deze terug te wijzen naar de Inspecteur (vgl. HR 18 april 2003, nr. 37790, BNB 2003/267). 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Inspecteur dient opnieuw op het bezwaar te beslissen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Rechtbank en die van de Inspecteur,
draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraak te doen op het bezwaarschrift van belanghebbende,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 214, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 211 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 138, derhalve in totaal € 563,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1288, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw, en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2009.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ2598 http://psi.rechtspraak.nl/sprongcassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:6495 Rechtbank Gelderland, 19 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5195 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 augustus 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2330 Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2331 Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1025 Gerechtshof Den Haag, 5 maart 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:358 Gerechtshof Den Haag, 6 maart 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7897 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 november 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2938 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 september 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3634 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 juni 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1438 Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:9513 Rechtbank Noord-Holland, 18 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1283 Gerechtshof Den Haag, 5 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1285 Gerechtshof Den Haag, 5 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2236 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2262 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:907 Gerechtshof Den Haag, 25 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:1002 Rechtbank Rotterdam, 14 februari 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:8435 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 september 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3308 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1677 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 3 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:2179 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:359 Gerechtshof Den Haag, 24 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:360 Gerechtshof Den Haag, 24 februari 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1317 Gerechtshof Den Haag, 14 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2321 Gerechtshof Amsterdam, 9 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2020:1631 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:641 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:124 Gerechtshof Amsterdam, 28 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3715 Gerechtshof Den Haag, 17 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2190 Gerechtshof Den Haag, 10 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2198 Gerechtshof Den Haag, 10 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:701 Parket bij de Hoge Raad, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:524 Hoge Raad, 5 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:760 Gerechtshof Den Haag, 3 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:856 Gerechtshof Amsterdam, 26 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:59 Hoge Raad, 18 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:91 Gerechtshof Amsterdam, 17 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10264 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10267 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10268 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4632 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2937 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2635 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:1138 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:3796 Gerechtshof Den Haag, 19 december 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:4618 Gerechtshof Amsterdam, 31 oktober 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:2842 Rechtbank Midden-Nederland, 13 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:2843 Rechtbank Midden-Nederland, 13 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:2844 Rechtbank Midden-Nederland, 13 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:762 Gerechtshof Den Haag, 3 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:3760 Gerechtshof Amsterdam, 8 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:6354 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 augustus 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:640 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 2 februari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2016:99 Rechtbank Noord-Nederland, 14 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:7134 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2015:5463 Rechtbank Noord-Holland, 3 juli 2015 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.