Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 20 februari 2009

ECLI:NL:HR:2009:AZ7921Zaaknummer 41726

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41726
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Conclusie PG Belanghebbende is vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats (agp) voor minerale oliën. Belanghebbende heeft gasolie waarin zich herkenningsmiddelen als bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Wet (tekst 1998 t/m 2003) bevonden (rode gasolie), vanuit de agp geleverd aan verschillende afnemers. Van een deel van deze afnemers zijn hun naam, adres en woon- of vestigingsplaats niet bekend, terwijl tevens vaststaat dat zij geen bunkervergunning als bedoeld in artikel 66 van de Wet of een vergunning als bedoeld in artikel 60 Uitvoeringsregeling accijns bezitten. In geschil is of het door belanghebbende toegepaste lage tarief van artikel 27, derde lid, van de Wet, of het reguliere tarief van toepassing is. Het Hof heeft het laatste standpunt ingenomen. In de conclusie wordt ingegaan op de nationale bepalingen en de bepalingen in de diverse Richtlijnen waarop de regelgeving is gebaseerd. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of belanghebbende de bestemming van de rode gasolie moet aantonen, of dat de controle op de toepassing van het juiste tarief uitsluitend plaats hoeft te vinden bij de uiteindelijke gebruiker. Op zichzelf rust op belanghebbende de bewijslast terzake van het lage tarief. In de Wet wordt voorts niet aangegeven hoe belanghebbende de laag belaste bestemming kan aantonen, doch het ligt echter voor de hand dat belanghebbende terzake van de levering facturen uitreikt waarbij zij het tarief moet bepalen. Het Hof heeft dan ook in de onderhavige zaak de toepassing van het normale tarief kunnen baseren op het niet voldoen aan de op belanghebbende rustende bewijslast terzake van het laag belaste gebruik. Het Hof heeft dit oordeel niet gebaseerd op het niet kunnen overleggen van de NAW-gegevens. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit verband is ongegrond. Voorts is niet aannemelijk dat artikel 8 van de Structuurrichtlijn onjuist is omgezet met artikel 27, derde lid, van de Wet, ondanks dat daarin wordt aangesloten bij de bestemming en niet bij het uiteindelijke, daadwerkelijke gebruik van oliën. Uit de systematiek zoals aangegeven in de Richtlijnen volgt dat moet worden aangesloten bij de uitslag, op welk moment normaliter slechts de bestemming te bepalen is. Ook de overige middelonderdelen van belanghebbende falen.

Volledige tekst

Uitspraak wordt niet gepubliceerd

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.