Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 5 december 2008
ECLI:NL:HR:2008:BE9998Zaaknummer C07/127HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 december 2008
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C07/127HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad. Geschil over letselschade als gevolg van medische kunstfout; abstracte schadeberekening; maatstaf; kosten van professionele huishoudelijke hulp voor werkzaamheden die benadeelde ten gevolge van het letsel niet langer in staat is zelf te verrichten.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt het ziekenhuis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 december 2008.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
5 december 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/127HR
RM/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
STICHTING ZIEKENHUIS RIJNSTATE,
gevestigd te Arnhem,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het ziekenhuis en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Verweerster] heeft bij exploot van 24 juli 2002 [betrokkene 1] en het ziekenhuis gedagvaard voor de rechtbank Arnhem. Na vermeerdering van eis bij repliek heeft [verweerster] gevorderd, kort gezegd, [betrokkene 1] (overleden op 11 februari 2002) respectievelijk het ziekenhuis te veroordelen aan [verweerster] te betalen (a) een bedrag van € 237.904,26 aan materiële schadevergoeding (wegens verlies aan arbeidsvermogen), (b) een bedrag van € 15.882,-- aan immateriële schadevergoeding en (c) een nog te begroten bedrag in verband met 'enkele pro memorie aangehaalde posten', bestaande uit het verlies aan verdienvermogen over de periode vanaf 2002 tot en met 2 september 2009.
Het ziekenhuis en de erven [betrokkene 1] hebben de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 20 augustus 2003 [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen de erven [betrokkene 1], het ziekenhuis veroordeeld om met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 22 van het vonnis is overwogen aan [verweerster] te voldoen een bedrag van € 23.613,91, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 10.000,-- vanaf 18 februari 1994 tot aan de dag van betaling en over € 13.613,91 vanaf 1 april 1994 en te verminderen met de reeds door het ziekenhuis betaalde voorschotten ad in totaal € 18.151,71. De rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, heeft [verweerster] gevorderd, kort gezegd, dat het hof het ziekenhuis zal veroordelen aan [verweerster] te vergoeden de door haar als gevolg van de gemaakte medische fout geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, te begroten op een bedrag van € 534.514,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het ziekenhuis heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Na een tussenarrest van 23 mei 2006, heeft het hof bij eindarrest 19 december 2006 in het principaal appel:
het eindvonnis van de rechtbank Arnhem van 20 augustus 2003 vernietigd voorzover gewezen tussen [verweerster] en het ziekenhuis en, opnieuw rechtdoende, het ziekenhuis veroordeeld aan [verweerster] te betalen:
€ 10.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 1994 tot de dag der voldoening,
€ 920,-- per jaar over de periode van 1 april 1994 tot 1 januari 2005, vermeerderd met de wettelijke rente over het over enig kalenderjaar of gedeelte daarvan verschuldigde bedrag, te berekenen vanaf 1 januari van het daarop volgend jaar, alsmede € 1.840,-- en € 13.675,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf respectievelijk 1 januari 2006 en 1 januari 2006, telkens tot de dag der voldoening,
€ 10.549,13, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2002 tot de dag der voldoening,
€ 9.185,28, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 januari 2005 tot de dag der voldoening,
€ 24.484,67, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2006 tot de dag der voldoening,
alles onder aftrek voor het voorschotbetalingen van in totaal € 18.151,71 volgens de artikelen 6:43 en 44 BW.
Het hof heeft het incidenteel appel verworpen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het hof heeft het ziekenhuis beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor het ziekenhuis toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van het ziekenhuis heeft bij brief van 19 september 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in cassatie, kort samengevat, om het volgende. In januari 1994 is tijdens een bevolkingsonderzoek een knobbel in de linkerborst van [verweerster] ontdekt. Nadat onder meer een punctie was verricht, rees een sterke verdenking van kwaadaardigheid van de onderzochte cellen. Vervolgens is [verweerster] op 18 februari 1994 in het ziekenhuis geopereerd door de chirurg [betrokkene 1]. Deze heeft niet alleen de tumor verwijderd maar ook, zonder nader onderzoek, enkele lymfeklieren uit de linkeroksel van [verweerster]. Het nog diezelfde dag verrichte pathologisch-anatomische onderzoek van de verwijderde tumor wees uit dat deze goedaardig was. De lymfeklieren zijn dus onnodig verwijderd. Sindsdien heeft [verweerster] pijnklachten aan haar linkerarm en linkerschouder. Zij heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. De verzekeraar van het ziekenhuis heeft aansprakelijkheid erkend. Partijen zijn het echter niet eens geworden over de omvang van de te vergoeden schade.
3.2 In cassatie zijn uitsluitend nog de kosten voor huishoudelijke hulp aan de orde. Het hof heeft dienaangaande in zijn tussenarrest - waarbij het in zijn eindarrest is gebleven - kort gezegd geoordeeld dat werkzaamheden waarvoor normaal gesproken geen professionele hulp wordt ingeschakeld, niet voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van de overige huishoudelijke werkzaamheden, waarvoor het inschakelen van professionele hulp wél normaal en gebruikelijk is, komen echter wel degelijk voor vergoeding in aanmerking. Daaraan doet niet af dat niet is gebleken dat [verweerster] daadwerkelijk professionele hulp heeft ingeschakeld omdat zij niet in aanmerking kwam voor thuiszorg, en huishoudelijke hulp in haar woonplaats moeilijk is te vinden, zodat haar partner tot op heden deze taken heeft verricht. [Verweerster] heeft voldoende aangetoond dat het inroepen van zodanige hulp noodzakelijk was en is. Om die reden is in zoverre een abstracte schadeberekening op zijn plaats (rov. 4.28-4.29). Vervolgens berekende het hof de omvang van de verschuldigde schadevergoeding op jaarbasis, en overwoog het dat ook voor de in de toekomst te lijden schade zou worden uitgegaan van dat bedrag (rov. 4.30).
3.3 Bij de beoordeling van het hiertegen gerichte middel wordt het volgende voorop gesteld. Als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat zijn schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Dit geldt ook wanneer sprake is van letselschade.
3.4 Op dit uitgangspunt zijn in de rechtspraak echter, zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid, in bijzondere gevallen uitzonderingen aanvaard. Zo werd in een geval waarin de ouders van een ernstig gewond kind, die dit kind thuis hadden verzorgd en verpleegd in plaats van deze taken aan professionele, voor hun diensten gehonoreerde, hulpverleners toe te vertrouwen, de vordering van de ouders tot schadevergoeding toewijsbaar geacht, hoewel zij niet daadwerkelijk kosten hadden gemaakt of inkomsten hadden gederfd (HR 28 mei 1999, nr. C 97/329, NJ 1999, 564). In een geval waarin een vrouw haar man gedurende diens laatste ziekte had verzorgd, oordeelde de Hoge Raad echter dat voor vergoeding van deze kosten geen plaats is indien het inschakelen van professionele hulp niet normaal en gebruikelijk is (HR 6 juni 2003, nr. C02/062, NJ 2003, 504).
3.5.1 In de lijn van deze rechtspraak moet - met het hof - worden aanvaard dat in geval van letselschade de kosten van huishoudelijke hulp door de aansprakelijke persoon aan de benadeelde moeten worden vergoed indien deze ten gevolge van het letsel niet langer in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners. Dit is niet anders indien die werkzaamheden in feite worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen.
3.5.2 Evenmin bestaat grond de gelding van deze regel te beperken tot gevallen van ernstig letsel. Ook letsel dat niet als ernstig is aan te merken kan immers meebrengen dat de benadeelde niet in staat is de desbetreffende werkzaamheden zelf te verrichten.
3.6 Op het voorgaande stuiten de onderdelen (a)-(d) en (f) van het middel af.
3.7 Onderdeel (e) voert aan dat, indien in het onderhavige geval een recht op schadevergoeding bestaat - hetgeen blijkens het hiervoor overwogene inderdaad het geval is -, die aanspraak niet toekomt aan [verweerster], maar aan haar partner. Blijkens de op het onderdeel gegeven toelichting ligt daaraan de gedachte ten grondslag dat het naar oud recht nodig was de schade te construeren als schade van het slachtoffer zelf, wilde deze voor vergoeding in aanmerking komen, maar dat deze constructie naar thans geldend recht niet meer nodig is omdat deze partner aan art. 6:107 BW een eigen recht op schadevergoeding kan ontlenen.
Het onderdeel faalt omdat in de uiteindelijke versie van art. 6:107 BW, mede blijkens de geschiedenis van deze bepaling (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1287 en 1288), het stelsel van art. 1407 (oud) BW in grote lijnen is gehandhaafd. In dit licht doet het feit dat art. 6:107 BW, onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, aan derden een eigen recht op schadevergoeding toekent, niet af aan de bevoegdheid van het slachtoffer om, in een geval als het onderhavige, ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen. Daarbij verdient aantekening dat, indien de aansprakelijke persoon de schade heeft vergoed aan de derde die de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, hij ook tegenover het slachtoffer is bevrijd, en omgekeerd.
3.8 Onderdeel (g) bouwt voort op de voorafgaande onderdelen en moet dus in het lot daarvan delen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt het ziekenhuis in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 5 december 2008.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2008:BE9998 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHARN:2006:AY5110 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:GHARN:2006:AZ9794 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:838 Parket bij de Hoge Raad, 22 september 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6296 Rechtbank Midden-Nederland, 2 september 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5459 Rechtbank Den Haag, 11 maart 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5471 Rechtbank Den Haag, 11 maart 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1 Gerechtshof Den Haag, 13 januari 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5882 Rechtbank Overijssel, 7 oktober 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2025:3631 Rechtbank Noord-Nederland, 4 september 2025 (materieel strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:6586 Rechtbank Limburg, 9 juli 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3572 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juni 2025 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:HR:2025:853 Hoge Raad, 6 juni 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2025:1106 Parket bij de Hoge Raad, 27 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2221 Rechtbank Noord-Nederland, 23 mei 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3251 Rechtbank Gelderland, 30 april 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2025:134 Parket bij de Hoge Raad, 31 januari 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2024:5106 Rechtbank Oost-Brabant, 29 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5039 Rechtbank Midden-Nederland, 21 augustus 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2024:4899 Rechtbank Limburg, 26 juni 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:1623 Rechtbank Gelderland, 13 maart 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:185 Parket bij de Hoge Raad, 16 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:182 Gerechtshof Den Haag, 13 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:73 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 januari 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:12250 Rechtbank Rotterdam, 20 december 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2813 Gerechtshof Amsterdam, 12 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:9549 Rechtbank Rotterdam, 4 oktober 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:7992 Rechtbank Rotterdam, 18 augustus 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:4336 Rechtbank Limburg, 28 juni 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3008 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 augustus 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1805 Rechtbank Oost-Brabant, 4 mei 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAC:2022:55 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 4 april 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:886 Rechtbank Midden-Nederland, 9 februari 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:6184 Rechtbank Midden-Nederland, 29 december 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4668 Rechtbank Noord-Nederland, 1 november 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:OGEAC:2021:99 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 10 mei 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:2589 Rechtbank Noord-Nederland, 7 mei 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:2586 Rechtbank Noord-Nederland, 14 april 2021 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:2914 Rechtbank Rotterdam, 1 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:2935 Rechtbank Rotterdam, 31 maart 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:253 Rechtbank Rotterdam, 13 januari 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:5060 Rechtbank Noord-Nederland, 31 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4535 Rechtbank Noord-Nederland, 18 december 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:11499 Rechtbank Rotterdam, 10 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:4597 Rechtbank Noord-Nederland, 1 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9089 Rechtbank Noord-Holland, 4 november 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2060 Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2965 Rechtbank Noord-Nederland, 9 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4134 Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:1257 Rechtbank Noord-Nederland, 18 maart 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:944 Rechtbank Limburg, 4 februari 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:11018 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 december 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:11042 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 december 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3707 Gerechtshof Den Haag, 12 november 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2019:3472 Rechtbank Amsterdam, 19 maart 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2018:3141 Rechtbank Oost-Brabant, 27 juni 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4192 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4193 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:4194 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:7861 Rechtbank Amsterdam, 7 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:618 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 januari 2018 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:6851 Rechtbank Gelderland, 22 november 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:14785 Rechtbank Den Haag, 15 november 2017 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.