Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 6 juni 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC9934Zaaknummer C07/016HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 6 juni 2008
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C07/016HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geschil tussen moeder en zoon over totstandkoming van een overeenkomst tot voortzetting van de onderneming van een eetcafé; beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (81 RO).
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
6 juni 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/016HR
EV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 16 september 2002 [verweerder] gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd na vermeerdering van eis, kort gezegd, [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de bedragen van € 6.806,70, en € 1.871,22 (subsidiair € 1.423,35) met rente en incassokosten.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft, na comparitie van partijen en na [eiseres] bij tussenvonnis van 11 februari 2004 tot bewijslevering te hebben toegelaten, bij eindvonnis van 27 april 2005 [verweerder] veroordeeld aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.284,82 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.806,70 vanaf 19 februari 2001 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [verweerder] een voorwaardelijke vordering tot ontbinding van de overeenkomst tot overname van de exploitatie van het café Het Theatertje ingesteld.
Bij arrest van 14 september 2006 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiseres] afgewezen en [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn (voorwaardelijke) vordering in reconventie.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of derechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 juni 2008.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2008:BC9934 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2008:BC9934 Parket bij de Hoge Raad, 6 juni 2008 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.