Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 23 mei 2008
ECLI:NL:HR:2008:BC8689Zaaknummer C06/094HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 mei 2008
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C06/094HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewijsrecht; partijgetuige in de zin van art. 164 lid 2 Rv.; bewijsoordeel (81 RO).
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt E&T in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HM begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 mei 2008.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
23 mei 2008
Eerste Kamer
Nr. C06/094HR
EV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
E&T ENERGIE en MILIEU B.V.,
gevestigd te Heerde,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. C.A.J. van der Meulen,
t e g e n
HOLLAND MILIEUTECHNIEK B.V. voorheen genaamd Hak Milieutechniek B.V.,
gevestigd te Geldermalsen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als E&T en HM.
1. Het geding in feitelijke instanties
E&T heeft bij exploot van 13 december 2001 HM gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd, kort gezegd,
1. te verklaren voor recht dat door toedoen van HM de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen is beëindigd en dat E&T met recht een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 4.3 van voornoemde overeenkomst.
2. HM te veroordelen om aan E&T te betalen een bedrag van ƒ 83.187,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. 3. HM te veroordelen tot het verstrekken van volledige informatie aan E&T met betrekking tot het resultaat van alle projecten met betrekking tot bodemsanering van voormalige gasfabrieksterreinen in een bepaalde periode, zulks met bewijzen gestaafd.
HM heeft de vorderingen bestreden.
Na een tussenvonnis van 8 mei 2002, waarbij een comparitie van partijen is gelast heeft de rechtbank bij eindvonnis van 12 februari 2003 HM veroordeeld aan E&T te betalen € 8.106,49 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2001 en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft E&T hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Het hof heeft bij tussenarrest van 6 mei 2004 HM tot bewijslevering toegelaten. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindarrest van 22 december 2005 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
E&T heeft bij exploot van 21 maart 2006 aan HM aangezegd dat zij beroep in cassatie instelt tegen de arresten van het hof en HM gedagvaard te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Bij rolbeschikking van 1 september 2006 is tegen HM verstek verleend.
De zaak is voor E&T toegelicht door haar advocaat.
Bij tussenconclusie van 21 september 2007 heeft de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent geconcludeerd tot verwijzing van de zaak naar de rol voor uitlating door E&T met betrekking tot haar ontvankelijkheid in haar cassatieberoep (2.8).
E&T heeft ter role van 11 oktober 2007 bij akte op die conclusie gereageerd.
Hierna heeft de Advocaat-Generaal geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt E&T in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van HM begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 mei 2008.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2008:BC8689 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBROT:2023:3862 Rechtbank Rotterdam, 21 april 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:711 Rechtbank Rotterdam, 28 januari 2022 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:9742 Rechtbank Rotterdam, 17 september 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:702 Parket bij de Hoge Raad, 17 juli 2020 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:PHR:2008:BC8689 Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2008 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.