Uitspraak · Civiel recht

Hoge Raad, 1 februari 2008

ECLI:NL:HR:2008:BC1871Zaaknummer C06/132HR

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C06/132HR
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen erfgenamen over geldigheid van een testament wegens wilsonbekwaamheid van erflater ten tijde van het maken van het testament; dwang als bedoeld in art. 4:490 (oud) BW, bewijslastverdeling (81 RO).

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders 1 en 2] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweersters 3 en 4] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 februari 2008.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Het geding in feitelijke instanties
  2. 2. Het geding in cassatie
  3. 3. Beoordeling van de middelen
  4. 4. Beslissing

1 februari 2008

Eerste Kamer

Nr. C06/132HR

MK/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [betrokkene 1],

gewoond hebbende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerster 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, thans mr. D. Stoutjesdijk.

e n

3. [Verweerster 3],

4. [Verweerster 4],

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s., [verweerders 1 en 2] en [verweersters 3 en 4]

1. Het geding in feitelijke instanties

[Verweerders 1 en 2] hebben bij exploot van 19 april 2002 [eiser] c.s. en [verweersters 3 en 4] gedagvaard voor de rechtbank Almelo en gevorderd, kort gezegd, [eiser] c.s. en [verweersters 3 en 4] te veroordelen om hun medewerking te verlenen aan de uitvoering van het op 18 juli 1997 opgemaakte testament van [betrokkene 2], een en ander zoals nader weergegeven in de inleidende dagvaarding, alsmede te verklaren voor recht dat [eiser] c.s. en [verweersters 3 en 4] de door [verweerders 1 en 2] geleden schade dienen te vergoeden.

[Eiser] c.s. hebben de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, het testament nietig te verklaren, subsidiair te vernietigen.

De rechtbank heeft, na een tussenvonnis van 8 januari 2003, bij eindvonnis van 27 augustus 2003 in reconventie het testament van [betrokkene 2] vernietigd en in conventie de vordering afgewezen.

Tegen dit eindvonnis hebben [verweerders 1 en 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld. Tegen [verweersters 3 en 4] heeft het hof verstek verleend.

Na een tussenarrest van 19 oktober 2004 heeft het hof bij eindarrest van 17 januari 2006 in het principale hoger beroep het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, kort gezegd, [eiser] c.s. veroordeeld om al hetgeen te doen wat nodig is om jegens [verweerders 1 en 2] uitvoering te (doen) geven aan het testament van [betrokkene 2], een en ander zoals nader omschreven in het dictum van het eindarrest van het hof, en het meer of anders gevorderde afgewezen, alsmede in reconventie de vordering afgewezen. Het incidentele hoger beroep heeft het hof verworpen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerders 1 en 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen [verweersters 3 en 4] is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Proucureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft op 7 december 2007 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders 1 en 2] begroot op € 367,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweersters 3 en 4] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 februari 2008.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.