Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 10 oktober 2008

ECLI:NL:HR:2008:BA8218Zaaknummer 43777

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43777
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Conclusie PG Meestbegunstiging c.q. Community preference; EG-recht brengt niet mee dat Nederland een bij bilateraal belastingverdrag voor Braziliaanse rente aan zijn inwoners toegekend tax sparing credit ook moet toekennen voor Spaanse rente. De belanghebbende maakt deel uit van de X groep. De naar Spaans recht opgerichte en in Spanje gevestigde E S.A. is de tophoudster die alle aandelen in de belanghebbende houdt. Het handelsregister omschrijft belanghebbendes bedrijf als: "Houdster- en financieringsmaatschappij". De belanghebbende heeft in 2002 en 2003 respectievelijk € 194.390.000 en € 203.883.000 aan rente ontvangen van haar moeder E S.A. In geschil is of het EG-recht meebrengt dat Nederland een bij bilateraal belastingverdrag voor Braziliaanse rente aan zijn inwoners toegekend tax sparing credit ook moet toekennen voor Spaanse rente. Dezelfde (soort) vraag is mede aan de orde in de zaken 43.507 en 43.619, waarin ik heden eveneens concludeer. Ik concludeer op basis van de arresten van het HvJ EG in de zaken C-376/03, D. v. Inspecteur, en C-374/04, Test Claimants in Class IV of the ACT Group Litigation, waarin geen EG-rechtelijke verplichting tot belastingverdragsrechtelijke meestbegunstiging werd aangenomen, tot ontkennende beantwoording van de gestelde vraag. Anders dan de belanghebbende betoogt, kan het litigieuze tax sparing credit niet worden gezien als eenzijdige fiscale ontwikkelingshulp die slechts uit doelmatigheidsoverwegingen in het belastingverdrag met Brazilië is ondergebracht en los zou staan van de rest van het verdrag. Uit de toelichtende nota bij het belastingverdrag met Brazilië en uit de notitie Algemeen fiscaal verdragsbeleid van 3 december 1987 blijkt dat het tax sparing credit geen vreemde eend in de verdragsbijt is, maar is gebaseerd op bilaterale en soms harde onderhandelingen over belastingjurisdictieverdeling. Daardoor luidt ook ontkennend het antwoord op de vraag of het EG-rechtelijke effectiviteitsbeginsel in casu meebrengt dat de belanghebbende aanspraak heeft op volledige vergoeding van haar proceskosten. Conclusie: ongegrondverklaring.

Volledige tekst

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.