Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 8 december 2006
ECLI:NL:HR:2006:AZ0758Zaaknummer C05/256HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 8 december 2006
- Publicatiedatum
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- C05/256HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Geschil tussen de ontvanger en een directeur-enig aandeelhouder van failliet verklaarde vennootschappen die een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormden, over diens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad doordat hij als bestuurder van de fiscale eenheid onbehoorlijk en in strijd met de terzake bestaande wettelijke verplichtingen heeft gehandeld door de fiscale eenheid niet of niet tijdig dan wel niet juist en volledig belastingaangiften te laten doen waardoor de ontvanger is benadeeld; persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder, maatstaven.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 december 2006.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
8 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/256HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST OOST, voorheen: de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Almelo,
kantoorhoudende te Almelo,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. Schenck,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 25 september 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo en, na wijziging van eis, gevorderd:
i. voor recht te verklaren dat [verweerder] jegens de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld en aldus gehouden is de door de Ontvanger geleden schade te vergoeden; en
ii. [verweerder] te veroordelen om aan de Ontvanger te voldoen de door deze geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
iii. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten, de kosten van de beslagen daaronder begrepen.
[verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 9 januari 2002, voorzover in cassatie van belang, de vorderingen van de Ontvanger onder i. en ii. toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 7 juni 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de Ontvanger alsnog afgewezen.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor de Ontvanger toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de Ontvanger heeft bij brief van 28 september 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder] was directeur en enig aandeelhouder van twee besloten vennootschappen, die een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormden.
(ii) Aan deze fiscale eenheid zijn in 1997 en in 1998 in totaal zeven naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van ƒ 2.021.297,--. De fiscale eenheid heeft dit bedrag onbetaald gelaten.
(iii) Beide vennootschappen zijn, achtereenvolgens op 15 juli 1998 en 9 september 1998, failliet verklaard.
3.2 De Ontvanger heeft een verklaring voor recht gevraagd dat [verweerder] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en hij heeft gevorderd dat [verweerder] aan hem de daardoor geleden schade, op te maken bij staat, zal voldoen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en het hof heeft haar afgewezen.
3.3 In hoger beroep heeft de Ontvanger uitdrukkelijk gesteld dat hij zijn vordering primair baseert op onrechtmatig handelen van [verweerder] en, anders dan in eerste aanleg, niet (alleen) op de, subsidiair gehandhaafde, grondslag van onbehoorlijk bestuur. Volgens de Ontvanger valt aan [verweerder] persoonlijk een verwijt te maken dat de vennootschappen waarvan hij directeur was (samen de fiscale eenheid voor de omzetbelasting, hierna: de fiscale eenheid), de fiscale regelgeving niet hebben nageleefd, waarmee [verweerder] het benadelen van de Ontvanger "op de koop toe heeft genomen". In het bijzonder verwijt de Ontvanger aan [verweerder] dat hij heeft "gesleept met omzetten", met name door het op grote schaal (frauduleus) schuiven met aangiften en afdrachten. De Ontvanger heeft aangevoerd dat dit handelen op zichzelf reeds onrechtmatig is, zodat de vraag of de benadeling voorzienbaar was of behoorde te zijn, geen beantwoording behoefde. [verweerder] heeft erkend dat binnen de fiscale eenheid met omzetten is "gesleept" en hij heeft onder meer als verweer aangevoerd dat hij (redelijkerwijze) niet had kunnen voorzien dat de vennootschappen de aanslagen niet zouden voldoen.
3.4 Voor zover in cassatie van belang kunnen de oordelen van het hof als volgt worden samengevat.
(a) Het hof geeft in rov. 4.3 de vorderingen van de Ontvanger weer en overweegt dat [verweerder] volgens de Ontvanger de vennootschappen onbehoorlijk heeft bestuurd met als gevolg dat de Ontvanger de naheffingsaanslagen niet op de fiscale eenheid kan verhalen en daardoor schade lijdt, welk handelen daarom onrechtmatig is jegens de Ontvanger.
(b) In rov. 4.7 stelt het hof vast dat [verweerder] niet heeft gehandeld in strijd met zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen, omdat deze niet op hem maar op de fiscale eenheid rusten. Het hof laat daarop in rov. 4.8 volgen dat beoordeeld moet worden of [verweerder] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarvan is volgens het hof sprake indien, zoals door de Ontvanger is gesteld, [verweerder] wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de fiscale eenheid als gevolg van de hem verweten handelingen niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar fiscale verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de voorzienbare schade die de Ontvanger dientengevolge zou lijden.
(c) In de rov. 4.9 en 4.10 gaat het hof in op de aan [verweerder] verweten handelingen en in het bijzonder op het feit dat gedurende een reeks van jaren met omzetten en aangiften is geschoven, en in rov. 4.11 komt het hof tot de conclusie dat in de jaren 1991 tot en met 1994 sprake is geweest van een bestendige praktijk die weliswaar heeft geleid tot naheffingen omzetbelasting, vermeerderd met boetes, doch niet tot het volledig onbetaald laten van naheffingsaanslagen omzetbelasting. Daaraan voegt het hof toe dat uit een boekenonderzoek van 22 maart 1993 blijkt dat de Inspecteur deze handelwijze niet zo'n ernstig vergrijp vindt en de opgelegde boete heeft gematigd. Gelet daarop behoefde naar het oordeel van het hof de voortzetting van deze bestendige praktijk in de jaren 1995 tot en met 1998 op zichzelf niet reeds ertoe te leiden dat [verweerder] redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de naheffingsaanslagen onbetaald zouden blijven. Dit geldt ook voor het verwijt dat [verweerder] bewust te lage aangifte(n) omzetbelasting deed. Het hof voegt daaraan toe dat aan de Ontvanger pandrechten zijn verleend op openstaande vorderingen van de vennootschappen. De Ontvanger heeft weliswaar gesteld dat de verpande vorderingen deels oninbaar zijn gebleken, maar gesteld noch gebleken is dat [verweerder] dit ten tijde van de verpanding wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen. Daarmee heeft de Ontvanger, aldus het hof, onvoldoende aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat [verweerder] wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat de fiscale eenheid geen verhaal zou bieden voor de voorzienbare schade die de Ontvanger als gevolg van dit een en ander zou lijden.
(d) In rov. 4.12 vat het hof samen dat
"de Ontvanger onvoldoende feiten heeft gesteld die, indien deze zouden komen vast te staan, de conclusie rechtvaardigen dat [verweerder] wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de fiscale eenheid als gevolg van de verweten handelingen de naheffingsaanslagen niet (volledig) zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de voorzienbare schade die de Ontvanger dientengevolge zou lijden."
3.5 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
In de onderhavige zaak wordt - zoals hiervoor in 3.3 weergegeven - aan [verweerder] verweten dat hij als bestuurder van de fiscale eenheid onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de Ontvanger doordat hij onbehoorlijk en in strijd met de terzake bestaande wettelijke verplichtingen heeft gehandeld door, naar de kern genomen, de fiscale eenheid niet of niet tijdig dan wel niet juist en volledig aangiften omzetbelasting te laten doen waardoor de Ontvanger is benadeeld. De Ontvanger heeft zich primair dus onmiskenbaar beroepen op de hiervoor onder (ii) bedoelde aansprakelijkheid.
3.6 Uit hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen volgt dat het hof in verband met de door de Ontvanger gestelde primaire grondslag van zijn vordering allereerst moest beoordelen of de aan [verweerder] verweten handelingen onrechtmatig jegens deze zijn geweest, waarbij het hof alle omstandigheden in aanmerking behoorde te nemen.
Nu [verweerder] een daarop gericht verweer had gevoerd, mocht het hof in zijn oordeel betrekken in hoeverre [verweerder] wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat de belastingschulden van de fiscale eenheid onbetaald zouden blijven. In het oordeel van het hof ligt besloten dat, wanneer dit laatste niet zou komen vast te staan, van een voldoende ernstig persoonlijk verwijt aan [verweerder] geen sprake zou kunnen zijn, omdat de hem verweten handelingen weliswaar inhielden dat de fiscale eenheid niet of niet volledig aan haar wettelijke verplichtingen voldeed, doch in het kader van de beoordeling van zijn persoonlijke aansprakelijkheid op zichzelf niet voldoende zijn voor het aannemen van een zodanig ernstig persoonlijk verwijt dat zijn handelen als onrechtmatig moet worden beschouwd. Het hof vond klaarblijkelijk de stelling van de Ontvanger dat [verweerder] het onbetaald laten van de aanslagen "op de koop toe heeft genomen" in dit verband een te licht (bijkomend) verwijt voor het aannemen van persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerder]. Aldus verstaan getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het, in aanmerking genomen dat het hier gaat om een waardering van de omstandigheden die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, niet onbegrijpelijk.
Op het voorgaande stuiten alle klachten van de onderdelen 1 tot en met 3 van het middel af.
3.7 Bij behandeling van onderdeel 4 heeft de Ontvanger geen belang, omdat het hiermee bestreden oordeel van het hof zijn beslissing niet zelfstandig draagt.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 december 2006.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2006:AZ0758 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBZWB:2026:10283 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 21 oktober 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10246 Rechtbank Amsterdam, 14 oktober 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2856 Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30870 Rechtbank Den Haag, 30 september 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26210 Rechtbank Den Haag, 9 september 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8477 Rechtbank Amsterdam, 2 september 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:8725 Rechtbank Amsterdam, 26 augustus 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:4085 Rechtbank Overijssel, 16 juni 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5679 Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:4722 Rechtbank Amsterdam, 6 mei 2026 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3052 Rechtbank Amsterdam, 25 maart 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2022 Rechtbank Amsterdam, 11 februari 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2026:323 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 januari 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:330 Rechtbank Gelderland, 14 januari 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2025:320 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 18 november 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:6429 Rechtbank Overijssel, 5 november 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:2851 Gerechtshof Amsterdam, 28 oktober 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18604 Rechtbank Den Haag, 1 oktober 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:10857 Rechtbank Rotterdam, 5 september 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:10970 Rechtbank Rotterdam, 29 augustus 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5452 Rechtbank Oost-Brabant, 27 augustus 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:5830 Rechtbank Gelderland, 23 juli 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2925 Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1479 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 mei 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2025:4148 Rechtbank Gelderland, 9 april 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1340 Rechtbank Midden-Nederland, 2 april 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2025:1959 Rechtbank Overijssel, 2 april 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:709 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 maart 2025 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1242 Gerechtshof Den Haag, 28 januari 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:1718 Rechtbank Rotterdam, 22 januari 2025 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:6908 Rechtbank Midden-Nederland, 18 december 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:8011 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 december 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21619 Rechtbank Den Haag, 11 december 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7677 Rechtbank Amsterdam, 27 november 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:11630 Rechtbank Noord-Holland, 6 november 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3470 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 november 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2819 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5775 Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:4776 Rechtbank Overijssel, 11 september 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:9892 Rechtbank Rotterdam, 11 september 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:8639 Rechtbank Noord-Holland, 28 augustus 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:7589 Rechtbank Rotterdam, 30 juli 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:7480 Rechtbank Rotterdam, 24 juli 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:628 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:746 Rechtbank Noord-Nederland, 6 maart 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2024:1223 Rechtbank Midden-Nederland, 28 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:811 Rechtbank Gelderland, 21 februari 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:312 Gerechtshof Den Haag, 20 februari 2024 (intellectueel-eigendomsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:337 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 februari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:75 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 januari 2024 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:137 Rechtbank Noord-Holland, 10 januari 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:13081 Rechtbank Rotterdam, 20 december 2023 (intellectueel-eigendomsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3453 Gerechtshof Amsterdam, 19 december 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4233 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 december 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:11711 Rechtbank Rotterdam, 13 december 2023 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:11165 Rechtbank Rotterdam, 29 november 2023 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:13570 Rechtbank Noord-Holland, 8 november 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2178 Gerechtshof Den Haag, 7 november 2023 (ondernemingsrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:5520 Rechtbank Gelderland, 29 september 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2023:3727 Rechtbank Overijssel, 20 september 2023 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.