Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 12 mei 2006
ECLI:NL:HR:2006:AX0985Zaaknummer 42449
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 mei 2006
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 42449
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
art. 7:15 en 8:75 Awb. In de regel volgt proceskostenveroordeling indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld.
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 664 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2006.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 42.449
12 mei 2006
RW
gewezen op de beroepen in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 juli 2005, nrs. 04/00154 en 04/00155, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting.
1. Navorderingsaanslagen, bezwaren en gedingen voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1998 en 1999 navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting opgelegd naar belastbare bedragen van ƒ 413.957, respectievelijk ƒ 192.100, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft bij afzonderlijke uitspraken de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur alsmede de navorderingsaanslagen vernietigd en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van bezwaar van belanghebbende. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraken beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat zowel de Inspecteur als belanghebbende bekend was met het
feit dat belanghebbende in 1998 en 1999 deel uitmaakte van een fiscale eenheid, dat het desondanks opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid vormt in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat de Inspecteur daarom in de kosten van het bezwaar als bedoeld in artikel 8:75 Awb wordt veroordeeld. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende zelf ook met het bestaan van de fiscale eenheid bekend was doch dat zij dat feit in bezwaar niet naar voren heeft gebracht zodat zij zichzelf in de positie heeft gebracht waarin haar nog slechts het indienen van een beroepschrift restte, dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit deze handelwijze en dat de kosten van de procedure voor het Hof dan ook voor rekening van belanghebbende dienen te blijven. Het middel bestrijdt laatstvermeld oordeel.
3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.
3.3. Uit 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel omtrent de kosten van de bezwaarfase volgt dat de Inspecteur, hoewel op de hoogte van het bestaan van de fiscale eenheid, niettemin de onderhavige navorderingsaanslagen heeft opgelegd. De Inspecteur heeft die aanslagen na bezwaar gehandhaafd. Onbegrijpelijk is dan 's Hofs oordeel dat de noodzaak beroep in te stellen uitsluitend aan de handelwijze van belanghebbende is te wijten. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat zich hier niet een uitzonderingsgeval als hiervoor in 3.2 bedoeld, voordoet. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voorzover het Hof geen vergoeding van proceskosten heeft toegekend,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 664 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2006.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2887 Gerechtshof Den Haag, 30 april 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:6254 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 oktober 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2025:4759 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 juli 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:834 Gerechtshof Den Haag, 22 april 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:494 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3234 Gerechtshof Amsterdam, 17 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2980 Gerechtshof Amsterdam, 15 oktober 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:917 Gerechtshof Den Haag, 30 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:487 Parket bij de Hoge Raad, 26 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2638 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3928 Rechtbank Noord-Holland, 19 april 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2816 Gerechtshof Den Haag, 23 november 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4380 Rechtbank Rotterdam, 25 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1303 Gerechtshof Amsterdam, 23 mei 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1296 Gerechtshof Amsterdam, 20 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:440 Hoge Raad, 24 maart 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:47 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 15 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1245 Gerechtshof Amsterdam, 24 januari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1616 Hoge Raad, 11 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2935 Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:8234 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3791 Gerechtshof Amsterdam, 13 september 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1869 Gerechtshof Den Haag, 31 augustus 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:6222 Rechtbank Noord-Holland, 21 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2022:1040 Hoge Raad, 8 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1519 Gerechtshof Amsterdam, 24 mei 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:1614 Rechtbank Rotterdam, 8 maart 2022 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4434 Gerechtshof Amsterdam, 30 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:10671 Rechtbank Rotterdam, 8 november 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6729 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6732 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6488 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 juli 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6291 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6004 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6027 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:5869 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1258 Gerechtshof Den Haag, 15 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4944 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4945 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:3767 Rechtbank Noord-Holland, 29 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3446 Gerechtshof Amsterdam, 24 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3447 Gerechtshof Amsterdam, 24 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:10507 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9065 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9066 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2603 Gerechtshof Amsterdam, 29 september 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2037 Gerechtshof Amsterdam, 26 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3948 Gerechtshof Amsterdam, 11 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1959 Gerechtshof Amsterdam, 7 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1240 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:638 Gerechtshof Amsterdam, 5 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:654 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:269 Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2020:391 Rechtbank Noord-Nederland, 4 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:14231 Rechtbank Den Haag, 23 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:4261 Gerechtshof Amsterdam, 5 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3590 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2378 Rechtbank Gelderland, 29 mei 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1372 Parket bij de Hoge Raad, 12 december 2018 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.