Uitspraak · Strafrecht

Hoge Raad, 7 maart 2006

ECLI:NL:HR:2006:AV3587Zaaknummer 03507/05 H

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
7 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03507/05 H
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Herziening
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage. In de aanvrage wordt aangevoerd dat geen sprake is geweest van braak zodat de kwalificatie in zoverre onjuist is. De aanvrage stuit reeds daar op af dat de PR het feit tevens heeft gekwalificeerd als diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dat brengt mee dat hetgeen is aangevoerd niet een omstandigheid kan opleveren ex art. 457.1.2º Sv nu zij niet kan leiden tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uit-gesproken op 7 maart 2006.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
  2. 2. De aanvrage tot herziening
  3. 3. Beoordeling van de aanvrage
  4. 4. Beslissing

7 maart 2006

Strafkamer

nr. 03507/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden, van 5 september 2002, nummer 17/080067-02, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de indiening van de aanvrage verblijvende in de Penitentiaire Inrichting "De Marwei" te Leeuwarden.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat geen sprake is geweest van braak zodat de kwalificatie in zoverre onjuist is. De aanvrage stuit reeds daar op af dat de Politierechter het feit tevens heeft gekwalificeerd als diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen. Dat brengt mee dat hetgeen is aangevoerd niet een omstandigheid kan opleveren als hiervoor bedoeld nu zij niet kan leiden tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.3. Hieruit vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uit-gesproken op 7 maart 2006.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.