Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 3 februari 2006
ECLI:NL:HR:2006:AV0821Zaaknummer 41329
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 3 februari 2006
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 41329
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesorde. Bewijsaanbod ter zitting ten onrechte afgewezen. Omkering en verzwaring bewijslast (art. 29 AWR).
De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond,
verklaart het principale beroep van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voorzover deze de aanslag premie arbeidsongeschikt-heidsverzekering 1999 betreft en behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2006.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 41.329
3 februari 2006
RW
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 september 2004, nr. 03/01382, betreffende na te melden aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslagen, bezwaren en geding voor het Hof
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1998 en 1999 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van respectievelijk ƒ 69.975 en ƒ 15.461, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd. Belanghebbende is onder meer tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep tegen die uitspraken ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten
Tussen partijen was voor het Hof - voorzover in cassatie nog van belang - in geschil of belanghebbende, die aanspraak heeft gemaakt op de zelfstandigenaftrek als voorzien in artikel 44m, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, heeft voldaan aan het in genoemde bepaling opgenomen zogenoemde urencriterium.
Ter zitting heeft belanghebbende aangeboden om op een later moment alsnog een specificatie over te leggen van de door hem gewerkte uren. Het Hof is op dit bewijsaanbod niet ingegaan. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat belanghebbende voorafgaande aan de mondelinge behandeling niet heeft gereageerd op diverse verzoeken van de Inspecteur zijn standpunt nader met bewijsstukken te onderbouwen, waarbij het Hof tevens heeft overwogen dat de mondelinge behandeling geen gelegenheid biedt tot herstel in de toekomst van de in het verleden niet te baat genomen mogelijkheid tot het leveren van bewijs. Voorzover de klachten zich tegen dat oordeel richten, slagen zij. De omstandigheid dat een belanghebbende in de gelegenheid is geweest de inspecteur gegevens te verschaffen, is onvoldoende reden om hem in de procedure niet alsnog de gelegenheid te geven bewijs te leveren. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken na de zitting alsnog over te leggen, zal een afweging moeten plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure voor de feitenrechter heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang. 's Hofs uitspraak geeft er niet van blijk dat een zodanige afweging heeft plaatsgevonden. De overige klachten behoeven geen behandeling.
4. Beoordeling van het in het incidentele beroep aangevoerde middel
De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat, nu belanghebbende niet heeft voldaan aan zijn verzoek specificaties met betrekking tot de in 1998 en 1999 gewerkte uren te verschaffen, de bewijslast die op belanghebbende rust ten aanzien van het aantal gewerkte uren moet worden verzwaard, en dat belanghebbende derhalve dient aan te tonen dat hij ten minste 1225 uren aan de onderneming heeft besteed. Het Hof heeft dit standpunt van de Inspecteur onjuist geoordeeld.
Het middel dat tegen dit oordeel opkomt, faalt. Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een aftrekpost of het aantal gewerkte uren) die, indien aannemelijk, tot een lagere belasting voor die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken ter onderbouwing van de aftrek, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rust immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ziet. In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn arrest van 8 maart 1995, nr. 29885, BNB 1995/246.
5. Slotsom
Gelet op het hiervoor in 3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond,
verklaart het principale beroep van belanghebbende gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voorzover deze de aanslag premie arbeidsongeschikt-heidsverzekering 1999 betreft en behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 102.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2006.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARN:2004:AQ2089 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2025:16031 Rechtbank Noord-Holland, 19 december 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:371 Gerechtshof Den Haag, 14 januari 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2041 Gerechtshof Amsterdam, 28 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1449 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1451 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1452 Gerechtshof Amsterdam, 30 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3572 Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2857 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:182 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 27 juli 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1279 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 april 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3121 Rechtbank Midden-Nederland, 28 juli 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3940 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:7208 Rechtbank Noord-Holland, 15 juli 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2238 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 juni 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1954 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6027 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:6031 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 juni 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4942 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4943 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4944 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4152 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:4153 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 april 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1765 Gerechtshof Amsterdam, 30 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:2788 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4379 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:1785 Hoge Raad, 15 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:718 Rechtbank Noord-Nederland, 26 februari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4632 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4633 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 november 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:3136 Gerechtshof Amsterdam, 21 augustus 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1787 Gerechtshof Den Haag, 17 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2018:1439 Rechtbank Noord-Nederland, 19 april 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2018:376 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:2104 Rechtbank Gelderland, 14 april 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2017:1170 Rechtbank Noord-Nederland, 30 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1583 Gerechtshof Amsterdam, 11 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4098 Gerechtshof Amsterdam, 8 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2015:6253 Rechtbank Noord-Nederland, 1 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:3787 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 mei 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5250 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5254 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:9142 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 november 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:417 Hoge Raad, 28 februari 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2013:5544 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 november 2013 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARN:2004:AQ2089 Gerechtshof Arnhem, 29 juni 2004 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.