Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 25 februari 2005

ECLI:NL:HR:2005:AS7953Zaaknummer 40602

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40602
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Stamrechtvrijstelling, voorlopige aanslag.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2005.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
  2. 2. Geding in cassatie
  3. 3. Beoordeling van de klachten
  4. 4. Proceskosten
  5. 5. Beslissing

Nr. 40.602

25 februari 2005

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 november 2003, nr. 00/02711, betreffende na te melden voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 251.903, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

Reeds omdat belanghebbende ten tijde van de uitspraak in deze zaak door het Hof noch had voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 45b, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 noch aan die gesteld in het besluit van 9 september 1998, BNB 1999/416, heeft het Hof kunnen oordelen dat de onderhavige voorlopige aanslag niet voor vermindering in aanmerking komt. Dat de Staatssecretaris de Inspecteur inmiddels heeft opgedragen om een termijn te stellen waarbinnen belanghebbende alsnog met fiscaal gevolg de premie voor een lijfrente kan betalen, doet aan een en ander niet af. De klachten falen mitsdien.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2005.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.