Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 1 oktober 2004
ECLI:NL:HR:2004:AR3090Zaaknummer 37851 39191 39192
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2004
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 37851 39191 39192
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Proceskostenveroordeling, samenhangende zaken, nagenoeg identieke werkzaamheden?
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.
Van de Gemeente Amsterdam wordt ter zake van het door B en W ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nrs. 37.851, 39.191 en 39.192
1 oktober 2004
MvA
gewezen op de bij één geschrift aanhangig gemaakte beroepen in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam tegen de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 februari 2002, nrs. P00/02328, 00/02586 en 00/002795, betreffende de aan X1, respectievelijk X2, respectievelijk X3 opgelegde aanslagen in de roerenderuimtebelastingen.
1. Aanslagen, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbenden zijn voor de jaren 1997 en 1998, respectievelijk 1997, respectievelijk 1997 en 1998 aanslagen in de roerenderuimtebelastingen opgelegd op grond van de Verordening roerende-ruimtebelastingen van de gemeente Amsterdam ter zake van het genot krachtens eigendom en het gebruik van de woonruimte op het schip 'D', respectievelijk de ark 'E', respectievelijk het schip 'G'. De Directeur van de Dienst der gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) heeft na tegen die aanslagen gemaakte bezwaren bij uitspraak de aan X1 en X2 opgelegde de aanslagen gehandhaafd, het door X3 tegen de aanslagen 1998 gemaakte bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard en de aan X3 opgelegde aanslagen 1997 gehandhaafd.
Belanghebbenden zijn tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft:
in de zaak X1 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op het bezwaar tegen de ter zake van het genot krachtens eigendom opgelegde aanslag voor het jaar 1998 vernietigd, belanghebbende wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard in dat bezwaar en de uitspraken van de Directeur voor het overige bevestigd;
in de zaak X2 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Directeur vernietigd en de aanslagen verminderd; en
in de zaak X3 het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de Directeur met betrekking tot het jaar 1998 bevestigd, de uitspraken met betrekking tot het jaar 1997 vernietigd en de aanslagen verminderd. De uitspraken van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: B en W) heeft tegen 's Hofs uitspraken bij één beroepschrift beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbenden hebben één verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De onderhavige zaken maken deel uit van een groep van 129 zaken waarin door dezelfde gemachtigde voor 129 belanghebbenden beroep is ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft in 46 zaken het beroep, al dan niet gedeeltelijk, gegrond verklaard en in die zaken op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Directeur veroordeeld in de proceskosten van de desbetreffende belanghebbende. Ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) heeft het Hof het bedrag van deze kosten telkens gesteld op 2 (beroepschrift en verschijnen zitting) maal 1 (wegingsfactor) maal ƒ 710 = ƒ 1420 ofwel € 644,37.
3.2. Het Hof heeft in de drie onderhavige zaken geoordeeld dat de onderhavige beroepen en de andere door gemachtigde in juni, juli en augustus 2000 ingediende beroepen inzake de roerenderuimtebelasting niet als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit kunnen worden beschouwd, aangezien niet is voldaan aan het vereiste dat de werkzaamheden van de gemachtigde in elk van die zaken nagenoeg identiek konden zijn en - in twee van de drie zaken - het vereiste dat de beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn ingesteld.
3.3. Middel 3 bestrijdt dit oordeel in de eerste plaats met het betoog dat 129 pro-forma beroepschriften zijn ingediend, die nadien zijn aangevuld met 129 identieke standaardmotiveringen die elk twaalf identieke grieven bevatten en slechts één dertiende grief met ruimte voor individuele argumenten, terwijl van die dertiende grief in feite weinig werk is gemaakt. Dit betoog gaat echter niet op, reeds omdat het geschil in iedere zaak mede de - uiteraard per zaak afzonderlijk te beoordelen - vraag betrof of de aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag waren opgelegd; het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de werkzaamheden van de gemachtigde in niet onbetekenende mate deze individuele omstandigheden hebben betroffen. In zoverre faalt middel 3.
3.4. De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2004.
Van de Gemeente Amsterdam wordt ter zake van het door B en W ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9202 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2023:9450 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 november 2023 (strafprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:390 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 januari 2022 (bestuursstrafrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:329 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:9696 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 december 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2281 Gerechtshof Den Haag, 26 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2282 Gerechtshof Den Haag, 26 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2283 Gerechtshof Den Haag, 26 juli 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1581 Gerechtshof Amsterdam, 26 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2016:1982 Rechtbank Oost-Brabant, 25 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:1580 Gerechtshof Amsterdam, 5 april 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2016:821 Rechtbank Overijssel, 9 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:900 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2016:368 Rechtbank Overijssel, 4 februari 2016 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2016:278 Rechtbank Overijssel, 28 januari 2016 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:697 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:698 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 januari 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2015:8505 Rechtbank Limburg, 9 oktober 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:3525 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2015:7451 Rechtbank Noord-Holland, 7 september 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2015:3911 Rechtbank Overijssel, 26 augustus 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2015:3912 Rechtbank Overijssel, 26 augustus 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2015:3499 Rechtbank Overijssel, 20 juli 2015 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:2676 Gerechtshof Amsterdam, 4 juni 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2015:1568 Rechtbank Noord-Holland, 4 maart 2015 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2002:AD9202 Gerechtshof Amsterdam, 1 februari 2002 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.